Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het groote publiek maakt geen groot onderscheid tusschen bedelarij en landlooperij.

In armenzorgkringen beginnen de grenzen tusschen beide begrippen getrokken, steeds meer te verflauwen.

Bedelarij en landlooperij zijn takken van denzelfden boom. Den boom der werkelijke of voorgewende armoede.

Maar in onzen tijd van ontwikkeld verkeer, nu zelfs de bedelaar „reist" en de landlooper zijn weg niet meer te voet aflegt, krijgt de „landlooperij" een gansch andere beteekenis.

Zonder middelen van bestaan rondzwerven doen — in de ruime beteekenis van het woord — tegenwoordig groote groepen van menschen zonder dat zij vallen onder de strafbepaling van art. 432, 2° van het Wetboek van Strafreeht; althans kan het niet de bedoeling zijn, dat zij onder deze bepaling vallen, daar de strafwetgever bij de opstelling van het zooeven genoemde artikel nog geen rekening kon houden met het Zwervend industrieproletariaat der 20e eeuw.

En toch zal- deze groote groep van zwervers niet over het hoofd mogen worden gezien als wij spreken over de moderne landlooperij.

* * *

Als wij trachten in vluchtige trekken een beeld te" geven van de oorzaken der bedelarij en landlooperij, wensohen wij er vooral op te wijzen, dat wij voor ons beeld geen onderscheiding voor volmaaktheid zullen opeischen.

Verschillende sociaal-economen hebben getracht de armen in klassen in te deelen.

Zoo onderscheidt Roscher 1) naar gelang te geringe Voortbrenging of te groot verbruik de oorzaak der armoedé in twee categorieën.

Als we met Charles Gidb 2) aannemen, dat er drie bronnen* van stoffelijken rijkdom zijn, t. w. natuurgaven, menschelijke arbeidskracht en de tijd, dan is het duidelijk, dat de mensch, die over geen stoffelijke goederen (als vrucht van zijn vroegeren of eens anders arbeid) beschikt, om in zijn levensonderhoud te voorzien, arbeid zal moeten verrichten.

1) Roscher. System der Armenpflege.

2) Gide. Leerboek der Staathuishoudkunde.

Sluiten