Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waaneer de bijzondere personen in hunne plichten jegens elkander te kort schieten, zal het orgaan der gemeenschap, dat Staat heet, niet kunnen ontkomen aan den plicht tot onderhoud dergenen, die zich buiten hun schuld de bestaansmiddelen niet kunnen verschaffen. Zoo is de opvatting van vele kenners van het natuurrecht.

Doch ook tegenover de andere categorieën van behoeftigen, die zelf meer of minder schuld zijn aan hun toestand van behoeftigheid, kan de gemeenschap niet onverschillig staan.

Zelfs als men de Staatszorg met betrekking tot deze menschen louter opvat als politiezorg, zal de Staat zich het lot dezer menschen, ter wille van de veiligheid en instandhouding der gemeenschap, dienen aan te trekken. Doch wij gaan verder en verkondigen, dat de Staat als zedelijk lichaam ook zedelijke plichten heeft tegenover Verdoolde en afgedwaalde burgers, hoe ze ook hebben gezondigd tegen de rechtvaardige wetten van Staat en maatschappij.

Immers het doel van den Staat is het algemeen welzijn.

Als de Staat het zoover kon brengen dat zijne burgers zoo deugdzaam leefden, dat alle gevangenissen en strafinrichtingen konden worden gesloten, dan zou hij inderdaad het grootst mogelijk geluk, het waarachtig algemeen welzijn op dit ondermaansche bereikt hebben.

Doch ik geloof met vele edele geesten niet aan dezen toekomststaat, tenzij de maatschappij zich hervorme in Christus... of de menschen engeleh worden.

Wel geloof ik in de kracht van de Kerk, van den godsdienst, om den arme afdoende te helpen.

De arme heeft niet alleen stoffelijke middelen maar meestal en voornamelijk ook zedelijke hulp noodig.1) De mensch leeft immers niet van brood alleen.

Daarom is de Kerk bij uitstek in staat om armenzorg uit te oefenen, die den ganschen mensch, de lichamelijke zoowel als de geestelijke behoeften omvat.

Laat de Staatsarmenzorg zoo volmaakt zijn als men zich denken kan, laat zij geld en goed in overvloed uitdeelen,

1) Dit wordt helder uiteengezet in het werk „Staat en Armenzorg" van Mr. Dr. Charles Raammakers S. J.

Sluiten