Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedelarij van venters in kramerijen en snuisterijen tegen te gaan, ware eene uniforme regeling voor het gansche land in te voeren.

De wetgever kon n.1. verordenen dat het venten in kramerijen en snuisterijen niet mag plaats hebben zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders der gemeente, waarin men het beroep wenscht uit te oefenen. Burgemeester en Wethouders verleenen geen vergunning zonder dat de Districtsarmenraad is gehoord. Deze Armenraad kan bij Ged. Staten in beroep gaan als Burgemeester en Wethouders vergunning verleenen tegen zijto advies. Het venten zonder vergunning wordt gestraft met geldboete of hechtenis, welke straffen bij herhaling veel zwaarder dienen te zijn dan thans het geval is, terwijl de goederen waarmede wordt gevent bij recidive kunnen worden in beslag genomen.

*

* *

Zoo ben ik aan het einde gekomen van mijn praeadvies, dat, ik besef het volkomen, het vraagstuk geenszins volledig behandelt.

Nog meer dingen staan in betrekking tot dit onderwerp dan ik aanroerde.

Ik heb dan ook alleen getracht in algemeene trekken aan te toonen in welke richting eene oplossing moet worden gezocht en het verschijnsel der bedelarij en landlooperij niet geïsoleerd willen behandelen — hetgeen naar mijn bescheiden meening ook niet goed mogelijk is — doch als onderdeel van het groote vraagstuk der armoede en der armenzorg.

Als door mijne korte uiteenzetting slechts wordt bereikt, dat meer en beter worde beseft, dat ons gansche stelsel van armenzorg en maatschappelijk hulpbetoon hervorming behoeft, dat met name intercommunale regeling der armenzorg dringend noodig is en de inrichting en bevoegdheid van den Armenraad noodzakelijk verbetering behoeft, óók om de bedelarij en landlooperij met succes te bestrijden, dan ben ik voor mij overtuigd dat wij een flinke schrede gezet hebben op den weg naar menschelijk geluk en volkswelvaart, beide grondslag en doel van eene goede armenzorg.

Heerlen, 6 Mei 1919.

TH. VAN LIER.

Sluiten