Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evertsen (den Haag 1820); dezelfde, Levensbeschrijving van Witte Cornelisz. de With (in zijn Verhandelingen en Onuitgegeven Stukken, I, 137, den Haag 1825); dezelfde, Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen (den Haag en Amsterdam, 1833—'48); Backer Dirks, De Nederlandsche Zeemagt (Nieuwediep, 1865—'76); M. Gr. Tideman, De Zee betwist (Dordrecht 1876); Elias, Schetsen uit de geschiedenis van ons Zeewezen (in B. V.G. 5e reeks III, 209 vv.); ook afzonderlijk verschenen: den Haag 1916); Putman Cramer, Inleiding tot de navale Strategie en Zee-tactiek (den Helder 1913); Scheurleer, Onze Mannen ter Zee in Dicht en Beeld (den Haag 1912—'14); portretten, geschiedzangen en matrozenliedjes. — Over de afbeeldingen onzer zeeslagen door Willem van de Velde, zie Haverkorn van Rijsewijk in Oud-Holland XX, 170, 225. — Moderne bronnenuitgaven: Grove, Journalen van van Wassenaer-Obdam, 1658-'59, en de Ruyter, 1659—'60 (Amsterdam 1907); Kernkamp-Japikse, Brieven van Johan de Witt (Amsterdam 1906—'13; vooral II 544 vv. (toerusting tot den tweeden Engelschen oorlog), III (tweede Engelsche oorlog), IV (derde Engelsche oorlog)); Gonnet, Briefwisseling tusschen de gebroeders van der Goes (Amsterdam 1899, 1909; I, 3 vv. (Noordsche oorlog), 211 vv. (tweede Engelsche oorlog), II 363 vv. (derde Engelsche oorlog)); Geyl, Stukken betrekking hebbende op den tocht naar Chatham en berustende op het Record Office te Londen, in Bijdr. en Meded. H. G. XXXV1JI, 358 vv. (Amsterdam 1917) '). — Japikse's proefschrift De verwikkelingen tusschen de Republiek en Engeland van 1660—1665 (Leiden 1900) is voor de kennis van het ontstaan van den tweeden Engelschen oorlog van belang; als bijlagen XI en XH worden uittreksels gegeven uit Downing's correspondentie van 1661—'62 en 1663—'65 2).

1) Nieuwsberichten uit de Republiek (vooral van Samuel Tucker), en door de Engelschen buitgemaakte Nederlandsche bescheiden, afkomstig van de vloot. — Onze nos. 360 en 380 komen ook bij Geyl voor, doch in min of meer corrupte lezing, weshalve ik meende ze te moeten doen herdrukken naar de origineelen. — Op bl. 387 bij Geyl moet in plaats van: „maeckten wij voor het aencomen van den dach ons bevonden," gelezen worden: „maeckten wij grooten spoet, soodat wy voor" (enz.) — Op blz. 389 van Geyl's uitgave moet voor „crue" gelezen worden „creu"; voor „celluy": „celle-cy"; voor ,,départir":'|j)ieputer''.

2) Japikse's excerpten loopen tot Eebr. 1665; onze stukken beginnen 21 Nor. 1664 (n°. 88); uit de periode Nov. '64—Febr. '65 nam ik geene stukken op die bij Japikse voorkomen.

Sluiten