Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 7. — Daar het gebeuren kan dat schepen van de Staten-Generaal of van eenig ander potentaat, na in de Oostzee te zijn gekomen, door storm of on weder in de havens van Z. M. gedreven worden, zich daar eerst als vrienden voordoen, maar ons vervolgens aantasten als vijanden, houdt de Raad het voor best dat wanneer eenige schepen op die wijze binnenvallen, en zich niet vijandig betoonen, men die op het voorkomendste zal bejegenen, met betuiging van alle geneigdheid tot nabuurlijke vriendschap en vertrouwen; maar niettemin acht de Raad het noodig dat de Admiraal hun vertoone hoe desondanks aan geen vreemde oorlogsschepen kan toegelaten worden in de Oostzee te komen om den handel overlast aan te doen, en dat zooveel te meer bezwaar moet worden gemaakt tegen hun verblijf in de havens van Z. M., en dat zoo zij nergens elders heen kunnen gaan, zij moeten blijven liggen tot nader bescheid, en tot de Admiraal daaromtrent orders zal hebben kunnen vragen. Mochten de bevelhebbers dier schepen met geweld zoeken uit te loopen, zoo zal de Admiraal trachten hen te keeren met geweld, tot hij zijn nadere bevelen zal ontvangen hebben.

Art. 8. — Ware de binnengevallen vloot zóó sterk dat de admiraal niet zonder gevaar voor zijne eigene, of voor de beste schepen daarvan, slag zou kunnen leveren, dan houdt de Raad voor best, tijd te winnen tot men hem hulp heeft kunnen bijzetten van goede koopvaarders die men hier vindt, of tot men de gezegde vloot afbreuk doen kan door branders of anderszins; — hen tracteerende met complimenten tot God of Z. K. M. eenig middel aan de hand geven zich op hen te wreken.

Art. 9. — Mocht er, 't geen men niet vermoeden wil, eenige vijandelijke vloot binnenvallen om volk in dit land te werpen, of de vloot van Z. K. M. met geweld aan te tasten, en vervolgens verder zoeken door te dringen, zoo ziet de Raad daartegen geen ander middel dan dat de Admiraal het tracht* te beletten zoo goed hij kan. Zijn doel zij den vijand in zijn voornemen te stuiten voor zooveel dit mogelijk is zonder opoffering van Z. M.'s vloot. In zoodanig geval (dat God genadiglijk verhoede) zal de Raad alles bijzetten om den Admiraal met tijdig secours onder den arm te grijpen.

Art. 10. — Voor het overige, dat niet zoo nauw kan beschreven worden als wel moest, maar naar tijds gelegenheid zal moeten worden beslist, vertrouwt de Raad van de bekende dexteriteit en conduite van den admiraal, dat hij altijd in acht neme Z. M.'s respect en dienst, het welvaren van den lande en het behoud zijner vloot, wenschende de Raad hem daartoe veel geluk, niet twijfelende of 's admiraals goede trouw, ijver en lofféHjk bevel zullen onderscheiden worden door 'sKonings gunst en genade.

60. DANIËL STRUSFLYCHT AAN KAREL GUSTAAF VAN ZWEDEN, 30 Nov. 1667 «).

Eders Kongl. Man.4t kan iagh i underdan ödmiukheet ej obemelt

1) R. St. — Sjöexpeditioner under Skeppsmajorer och Kapitener. — Uit Wolgast.

Sluiten