Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voormiddags, en* nadat Wrangel eene laag gegeven had ging hij recht op Obdam af, die onmiddellijk door de With en andere kapitale Hollandsche schepen werd bijgestaan, zoodat Wrangel, die geen van onze schepen tot zijn assistentie had, omsingeld werd en zijn schip Victoria, hard vechtende, dermate werd toegetakeld dat het dreigde overstag te gaan, maar de vijandelijke schepen die het hadden aangevallen waren zelf zoo beschadigd, dat zij van de Victoria moesten afhouden. Deze kon onmogelijk meer worden vooruitgebracht, maar dreef aan land onder de kust van Elseneur, ankerde daar en werd in allerhaast gerepareerd, maar vóór het hersteld was, was de slag reeds voorbij. Bielkenstierna op de Draak was aanstonds slaags geraakt met de With op het schip Brederode, lag hem 2 nnr lang aan boord en hield ten slotte al schietende af; beide schepen stonden toen in brand. Onderwijl was ook het schip Wismar de With voor den boeg gekomen, wiens schip werd vermeesterd nadat hijzelf en tamelijk veel van zijn volk gedood of gekwetst waren; de vlag werd neergehaald en het schip zonk onder de kust van Seeland. Eenige andere van onze kapitale schepen die in het eerste treffen schadeloos geschoten waren (de vijand schoot meest op de masten, zeilen, takels en tuig) werden genoodzaakt voor anker te vallen; andere raakten toen het gevecht zou beginnen aan den grond aan de zjjde van Skonen, maar de overigen volgden den vijand na tot onder Ween, hun best doende hem zooveel mogelijk last te veroorzaken, waarop zij laveerende zochten den vijand op zijde te komen en diens admiraals aan te vallen, maar de vijand had het voordeel van den wind en maakte zich daar vandaan naar Kopenhagen; ook kwamen verschillende van de beste Deensche schepen onder zeil, en al laveerende hem te hulp. Het harde en bloedige zeegevecht duurde ongeveer 5 uur, en hoewel onze reputatie door Gods bijstand behouden bleef, moesten wij echter na lang vechten het schip de Morgenster in den steek laten, dat zoo doorboord was dat het ten slotte zonk, en voorts de schepen Pelikaan en Delmenhorst (die te voren op de Denen veroverd waren), die van de van onze vloot waren afgeraakt naar de zijde van Ween, en door ons niet snel genoeg konden worden gesecondeerd, maar door den vijand werden omringd en genomen. Verder werd een van onze schepen, de Luipaard, zoo toegetakeld, dat de masten over boord en het dek in elkander geschoten werden, waarom het na den slag onder Ween aan den grond gezet werd, maar daar niet blijven kon om te worden gerepareerd, en dus des anderen daags door ons werd verbrand, nadat de stukken en al het andere dat kon worden geborgen er afgehaald was. Buitendien zijn ook verschillende andere van onze schepen sterk beschadigd aan masten, takels en tuig. Onze vloot had ongeveer 500 dooden en gekwetsten (waaronder de voornaamste is de Vice-Admiraal Hendrik Gerritsen, die een schot tusschen de schouders kreeg), behalve die op de bovenvermelde 3 door den vijand veroverde schepen gedood en gevangen zijn of te gronde gingen met de Morgenster. Aan de zijde van den vijand had men niet veel stof tot juichen, immers hij verloor zijne beide Vice-Admiraals de With en Florisz., benevens het schip Brederode hooger genoemd, en een galjoot die gezonken is. 's Vijands admiraalschip de Eendracht werd zoo beschadigd dat het ten snelste zijn stukken innemen moest, en Obdam niet anders kon verwachten dan te zullen zinken, of voor het minst in onze handen te vallen, weshalve hij overging op een ander schip. Een Schout-bij-nacht, de

Sluiten