Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Breda, was reeds in onze handen, maar daar er brand in uitbrak moesten wij het verlaten, en men twijfelt of de vijand het heeft kunnen bergen. Al de branders van den vijand, 5 of 6 in getal, zijn opgebrand zonder de geringste schade te doen aan onze vloot. Buitendien zijn twee van hun schepen, nadat zij van onze vloot gescheiden waren, tusschen Ween en Kopenhagen gezonken, zooals bericht is door officieren van onze vloot, die alleen de naakte vlaggestokken daarvan zagen boven water steken evenals van het schip, dat al eerder onder de kust van Seeland gezonken was; het kon zeer duidelijk worden gezien. Verder heeft men stellige berichten dat zij op hun vloot wel 8 of 4 maal zooveel dooden en gekwetsten hebben gehad dan wij op de onze, hetgeen te begrijpen is, daar zij in den beginne meest op de masten, zeilen, takels en want schoten, en daarentegen zelf meest geraakt werden in den romp of op dek. Z. K. M. die zelf het heele verloop van den slag aanschonwd heeft van het strand op Seeland, kwam na afloop aanstonds aan boord van de Victoria en bleef daar den nacht over, bepalende en voor het best en veiligst houdende dat de vloot de haven van Landskroon binnenviel, om daar gerepareerd te worden.

9 Nov. bijtijds in den morgen, toen de wind N. was, met stil weder, ging op 'sKonings bevel de admraal Wrangel naar Landskroon zeil om de vloot te doen repareeren, die aan masten, stengen en roer, benevens aan zeilen, takelage en tuig tamelijk veel schade had beloopen; maar doordat het geheel stil werd was men genoodzaakt voor anker te gaan tusschen Elseneur en Ween. In den namiddag keerde Z. M. van het schip de Victoria naar het slot Kronborg terug; eenigen tijd daarna begaf zich Wrangel, naar het onder Seeland gezonken Hollandsche schip Brederode, en kwam 's avonds na 7 uur weer aan boord; onderwijl was het grootste gedeelte der vloot met een Westerkoeltje wat vooruit gekomen naar Landskroon, waar de voorste schepen op de reede het anker hadden laten vallen. Maar zoodra de admiraal aan boord was gekomen zond hij boodschap aan elk schip, dat zij al kortende en boegseerende (daar het weder stil bleef en het lichte maan was) zoo nabij moesten trachten te komen dat zij den volgende morgen bij het lumieren achter elkander de haven konden binnenloopen, hetgeen vervolgens ook naar behooren in het werk gesteld werd.

Den 106" Nov. 's morgens, met hetzelfde weer en wind, gingen de schepen achter elkander in de haven, doch daar de vijand op de reede van Kopenhagen het bemerkte, liepen tegen den middag 9 Deensche en kort daarna een deel Hollandsche schepen uit, koers zettende récht op Landskroon. Zoodra de admiraal het zag, zond hij zijn jacht de Moriaan naar die van onze schepen die nog buiten waren, met order dat de voorste daarvan den vijand tegemoet zouden gaan, en die te ver naar achter waren om in de haven te kunnen komen, zich tot hun .veiligheid onder het kasteel Kronborg zouden terugtrekken. De vijand naderde snel, en 5 van onze schepen (behalve het Compagnie'sschip Samson dat zeer doorschoten was en in den inham lag onder het kasteel van Landskroon) waren nog zóóver af dat zij onmogelijk in de haven konden komen; zij maakten zeil en voeren na ontvangen bevel de Sond terug; zij werden door den vijand een goed eind met kanonneeren vervolgd. Een van die schepen, de Amarant, dien Majoor Speek commandeerde, wendde en doorstond een tamelijk sterke kanonnade van den vijand, maar

Sluiten