Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uthan allenast nogre officerare och gemene döde och qvetzte. Om aftonen seent kom een express medh bref ifran Hans Kgl. M.'af innehaldh att sa, frampt denne fientelige flotta skulle komma uthi conjunction medh dee andre uthi Flensburger wijken liggiande fientelige skeppen man da medh war flotta sigh till Sundet retirera skulle. Om aftonen hardt nordligit wader.

Den 11 Maij «noot dagningen (da een temmelig starck kulte af norden, och den fientelige flottan under segell war gaendes ath Flensburger wijken till att conjungera sigh medh dee dar liggiande fiendens skepp) lat Hans Exc. löfta anckar arnandes medh flottan att gaa genom Belten ath Sundet laggiandes fördenskuldh athskillige ganger öfwer och gaendes om middagen medh een starck bijliggiare emellan Lalandh och Langelandh hwarest man omsijder för förhardt mottwader skuldh, widh pass klockan 3 efter middagen emillan Naskou och Fariestaden pa Langelandh moste falla anckar. Om natten war een hardh storm af samma ofwanberörde norden windh.

[Vertaling:]

9 Mei voormiddags Z. O. wind maar stil weder. Des namiddags werd de kapitein op de Zon Johan Simonszoon met zijn schip benevens een Lnbecker fluit naar Wismar gezonden. Met den avond liep de wind naar het N. O. Tegen den tijd van het avondmaal ging genoemde kapitein met zijn schip de Zon en de Lubecksche fluit onder zeil, voornemens al laveerende vooruit te komen, maar daar de wind zwak en de stroom tegen was gelukte dit niet en werd hij genoodzaakt voor anker te gaan .liggen, 's Nachts schoon en stil weder.

10 Mei bij het krieken Van den dag bij heel stil weder werd men een vijandelijke galjoot gewaar; Bielkènstierna dit vernemende gaf terstond bevel dat de naastbijzijnde schepen hun sloepen wel bemand met soldaten en bootsvolk zouden uitzetten en op de galjoot afgaan, waarop Majoor Uggla met 5 sloepen aanstonds vertrok, doch toen zij bij de galjoot kwamen (die wegens het stille weder geen kans had, het te ontsnappen) liep deze aan den grond, en het volk redde zich met der vlucht aan land. Bij zonsopgang (nadat hooger genoemde kapitein Johan Simonszoon met het schip de Zon nogmaals onder zeil gegaan was) werd men onder Femern plotseling een vijandelijke vloot van 26 kloeke Deensche schepen met 7 galjoten gewaar, die op ons afkwam met een gunstigen wind en nogal stil weder. De vijand was zeer sterk, en onze vloot bestond slechts uit 20 schepen en een boeier, daar verschillende van onze schepen in het Lubecksche vaarwater en naar den kant van Flensburgerwijk kruisende waren. De vijand was dus in kracht verre de meerdere; buitendien hadden verschillende van onze schepen geen soldaten aan boord, daar zij eenige dagen te voren van de vloot waren genomen om ze te gebruiken bij de landing op Laaland en Falster; voorts hadden de schepen veel zieken aan boord, en op de meeste was nauwelijks volk genoeg om het anker te lichten. Desniettemin besloot de admiraal, om Z. M.'s hooge reputatie te conserveeren, er in 's Heeren

Sluiten