Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE BOEK. TWEEDE ENGELSCHE OOELOG, 1664 1667.

EERSTE HOOFDSTUK.

UITRUSTING TEGEN DE BARBARIJSCHE STATEN. — NADERING VAN HET OORLOGSGEVAAR.

66. DE RUYTER AAN FREDERIK III, 20 April 1661 >).

Ick bevinde mij ten hooghsten verplicht meer als ick wel niette penne can uytdrucken voor de groote genade ende goedertierentheyt die uwe coonincklijcke Maijesteit heefft gelieven aen mijn ende de mijne genadelick te bewijsen, waer door ick ende de mijne voor altijt sullen blyven uwe genadigen cooninck en het gantsche eooninklijck huys geaffectionneerde getrouwe dienaers '). Wijders soo is op den 10 Aprill uwe coonincklijcke Maijesteyts capiteyn Pieter Berents soone van den heere vice admirael Jurryaen Berents met een brieff van uwe coonincklijcke Maijesteyt by mijn gecoomen, den inhout was dat ick den voornoemden

1) R. K., Ausl. Konz. — Uit Amsterdam.

2) Adelsbrief van il Ang. 1660: Brandt 214. — Dankbetuiging van de Ruyter, 7 Oct. 1660: Grove, De Ruyter's Optagelse i den Danske Adel, 6. — De Ruyter aan Christiaan V van Denemarken, 18 Oct. 1670: verzoek dat zijn stiefzoon Joan van Gelder, „sijnde ordinaris capiteyn ter zee in dienste van desen Staet, ende een wacker man", in den adeldom moge deelen (bij Grove, Optalegse 7—8). — De druk bij Grove heeft drie fouten: op bl. 8, regel 21 v. o., moet gelezen worden ,.het wapen"; regel 9 v. o., „dat hetselve"; regel 6 v. o., „gelijck ick ben"). — 29 Oct. 1670 adelsbrief voor Joan van Gelder, diens vrouw en kinderen: Grove, 12 — 4 Nov. 1670 Curt Adelaer aan de Ruyter: „het heeft heel hart gestaen dat te vercnjgen mijn heer van Gelder zijn liefste mejuffer de Smiet om genobiliteert te werden; . . . . daer sijn der wel die 40 a 50.000 rgckxdaelders solden geeven en vrij wat meer, dat sij d'eere mogten genieten" (Grove, 10).

Sluiten