Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fallen ahr, tröstar man sigh att dee wahl an om dee Engellskes desseiner skole kunna adverteras, och sigh for skadha till wahra tagha. Men sa ahr lijkwal, i alle fall, skadeligitt nogh att köpmannerne i medler tijdh icke allenest utaff sin handell maste wara förstuckne, uthan och sa myckitt folck och batzman uppa bede skeppen fafangt onderhall*.

[Vertaling:]

Daar men uit alle Engelsche brieven meer en meer de groote animositeit van die natie tegen dezen Staat bespeurt, en de aanstalten die daar gemaakt worden om op alle mogelijke wijzen de Hollanders schade toe te brengen (de hertog van York is nu zelf in zee gegaan, en Prins Robbert zal, naar men zegt, de reis naar Guinea weldra ondernemen), is men hier bedacht op wat wijs zich in de beste postuur van verdediging te stellen, en heeft reeds een gros van 26 a 80 oorlogsschepen naar de Wielingen gezonden om naar mogelijkheid den handel te beveiligen. Men heeft ook besloten toekomende voorjaar een sterke vloot uit te brengen van 160 schepen. De Engelschen spreken er van, er 200 uit te rusten van hunne zijde. Onderwijl is aan alle koopvaarders verboden het Kanaal te passeeren, en is men nu vol zorg over de Bordeauxsche wijnen de zoutschepen die, 200 in getal, naar hier onderweg zijn geweest, doch daar de wind, nadat zij waren uitgeloopen, contrarie gevallen is, hoopt men dat zij wel van de Engelsche oogmerken kunnen worden ingelicht, en zich voor schade wachten. In ieder geval blijft het schadelijk dat de kooplui zoo lang van de lading verstoken blijven en zooveel volk als de bedoelde schepen op hebben al dien tijd te vergeefs moeten onderhouden.

96. DOWNING AAN BENNET, 2 Jan. 1665 •).

The Princess Dowager tells me that she had notice out of Zeiand that de Witt should have writt thither to some that the secret (ds they call it) that is to say the business of de Ruyter, should not be communicated or made knowne to any. that had taken oath unto or had any dependance upon the Prince of Orange, among which number are the townes of Flissing and Tervere and many in that Province, whereupon de Witt having given her a visit this day sennight she feil upon him in downeright termes, reproaching him very highly and asking him how and upon what account it should come to pass that her family and all that depended upon them should be so brauded by him as traitors or persons not be trusted, whereupon de Witt shewed himself mnch surprized, not intending this should have come to her knowledge, and minced the matter as well as he could, but the Dowager is very much nettled.

i) R. 0., Holland 173. — Uit den Haag. — Ook bij Japikse, p. LUI.

Sluiten