Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er was slechts een weinig koelte zoodat zij niet wenden konden. Toen de Engelschen dit zagen kwamen er twee eskaders, dat van de roode en dat van de witte vlag, op de Ruyter's eskader aan, en daar het eene schip zoo dicht op het andere lag dat zij niet van elkander konden, speelden de Engelschen er op met schroot, over het dek der schepen heen. Zij schoten de Ruyter's groote steng aan stukken, en de Engelsche admiraal zond een brander op de Ruyter af. Gelukkig lag de Ruyter's sloep gereed, en toen de sloep van den Engelschen brander op hem afkwam, lei de Ruyter's sloep die van den Engelschen brander aan boord en nam de Engelschen gevangen, waarop de Ruyter zich van den brander meester maakte. Terzelfder tijd werden er aan stuurboordszij van ons schip de Blauwe Reiger, vjjf Engelsche schepen in den grond geschoten, ook twee Hollandsche schepen werden in den grond geschoten, en één schip vanons,deJenuwesser[?],werd door een Engelschen brander vernield. Toen de Engelsche admiraal Smith dit zag kwam hij met twee branders, een voor zich uit en een achter zioh aan, op ons schip af, en toen wij hem onder schot hadden gaven wij hem de volle laag, zoodat hij van ons afhield en niet meer schoot, maar twee schepen die hem secondeerden schoten lustig op ons, en schoten onze kruissteng van boven neer. Toen Smith dit waarnam kwam hij wederom met zijn twee branders op ons af; onze kapitein dit ziende, zeide: bras m> marszeil op den mast, de man wil met mij spreken; en terwjjl hij dit zeide, gaf Smith ons de volle laag; daarop beval mijn kapitein vtvur, en toen wij hem de volle laag hadden gegeven, krengde hij; en mijn kapitein zag dat hij den eenen brander loskapte en op ons afstuurde, en toen de brander op ons afkwam, begon ons volk te roepen wij zinken, wij zinken. Mijn kapitein liep zelf naar omlaag naar de konstabelskamer en laadde twee 24-ponders met dubbel scherp en een ijzeren koevoet en daarmede gaf de konstabel op den Engelschen brander vuur en schoot hem zijn grooten mast af, en toen mijn kapitein bespeurde dat wij van den brander vrij waren, hield hij op met schieten, en ging met de timmerlieden in de sloep en nam de schade op; ter hoogte van de bootsmanskamer was een gat zoo groot dat er een man door kruipen kon, het werd gedicht met groote looden platen, en onderwijl lieten wij ons van de vloot afdrijven. Tromp schoot ons na met scherp, daar hij niet wist dat ons schip beschadigd was. Mijn kapitein liep daarop een prinsevlag waaien, en er werden ons twee branders en drie schepen gestuurd om ons te secondeeren. Overigens was het heel stil van wind, zoodat Tromp de Ruyter, die midden tusschen de Engelsche vloot geraakt was, niet kon komen helpen; ook het Friesche eskader lag werkeloos wegens windstilte; eerst tegen den avond kwam er wat wind. Toen wendde Tromp, liet de bloedvlag waaien van de kruissteng, en zette Smith na. Toen Smith dit zag schoot hij om hulp; maar het was weldra weder zoo stil van wind, dat Tromp hem niet bereiken kon.

Den Bden Aug. 's morgens lag de Engelsche admiraal te loevert van Tromp, die wendde en zich bij onze vloot voegde; de eskaders van de roode en de witte vlag vervolgden onze vloot tot onder de Hollandsche kust. Toen Tromp zag dat onze beide eskaders vluchtten, liet hij Smith loopen en volgde den koers van onze vloot.

Den 6den Aug. 'smorgens waren wij voor Zeeland; tot ons geluk had de

Sluiten