Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Engelsche vloot den wind tegen, zoodat zij niet bij ons komen kon; zij braveerde dicht onder de Hollandsche kust, 48 kloeke schepen sterk-, Tromp had maar 36 schepen. Tromp hield krijgsraad en wij gingen op de Engelsche vloot af; maar terwijl wij onderweg waren kwam Smith op ons af met 36 schepen; toen moest Tromp wenden en zoo kwamen wij dien dag bij onze vloot, die voor Vlissingen lag.

Den 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 Aug. werd de vloot gerepareerd; de kapitein van het Friesche admiraalschip kreeg den kogel.

Er is geteld hoeveel schepen er gebleven waren; er waren twee van onze schepen in den grond geschoten en één verbrand, en er waren op onze geheele vloot 4303 dooden en gewonden.

271. COMMISSARIS JACOB QUACK AAN JOHAN DE WITT, 5 Ang. 1666 •)

Soo comt aen schipper Duysentjaer, brengt 7 Sluysers a) mede met dese brieven *). De twee branders door den heere Kievit gedepescheert waren in 'slants vloote wel gecomen. Van het ander dat nae middag uytliep, wisten sij geen seeckerheyt. Hij *) is gisteren morgen ten 9 uyren uyt de vloot gezeilt, als wanneer den heere de Ruyter hem de hand gaf, seggende: „Segt int vaderlandt, dat wij met goede couragie aen gaen vallen en sullen den zegen van Godt verwachten." De Engelse waren ontrent 100 zeylen, doen den slagb aanging, ende was de wint N. 0. ende hadden de Engelse doen den wint van ons; doch deselve liep dadelijk N. W. 't welk d'onse dapper schaveelde. Duysentjaer sagh dat d'onse met groote couragie aenvielen, de Vriesen waren voor, den heer de Ruyter in 't midden en den heer Tromp van achteren; den heer Johan Evertsen was bij de Vriesen, den viceadmirael van Vriesland alleen van de Engelse afgesneden, daer hij dapper tegens aen was. Duysentjaer segt dat hij 's nainiddaghs 3, 4 a 5 uyren al ses schepen in den brand gesien hadde sonder te weeten van wien. Desen morgen hebbe noch niet hooren schieten, hij hadde gisteren voor het land gesien een fregatje, een galliot en drie fluiten, aparent branders of schepen die uyt Texel quamen; hij hadde op des heere de Ruyters schip hooren seggen, datter 29 branders in onse vloote waren. De heer de Ruyter hadde gesegt: „Vaart gij maer heenen, 's avonts sal ick al weder een ander afsenden soo 't God gelieft." Den voorsz. schipper Duysentjaer hadde goede moed op onse vloote, doch de Heer zij gebeden de victorie aen onsen Staet te verleenen.

Waarmede, etc.

Maessluys, 5 Aug. ten 5 uyren des morgens, 1666.

1) R. St., Hollandica. — Bijlage bij eene dépêche van Appelboom.

2) Visschers uit Maassluis.

3) Van de vloot.

4) Duysentjaer.

Sluiten