Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Orangien wal affectionerat; hwilken, namblighen Hans Högheet, accrescerar, a mesme som affairerne illa succedera och lyckas till; ty man roopar och sagier att det lahrer alldrigh ga wal naghot remedium finnas fórr an Prinssen bleefwe employerat. Och hafwer Tromp hafft den lyckan att Herr van Somersdijk hafwer waritt pa hans skiepp; som, ehuruwal han intett förstar la marine, hafwer lykwa.1 giordt een myckitt godh rapport om Tromp; hwilken pretenderar at hafwarwal giordt, begiarandes satisfaction och reparation des iniures som de Ruyter moot honom uthkastatt hafwer; och sagier att intett willia ga till 8iöss, dar han icke erhölle satisfaction. Och ahr alltsa den störste och förnambste difficulteten som der Deputerade nu hafwe i Zelandb, huru dee skole bast terminera och appaisera desse disputer, ty anten ahr de Ruyter faux accusateur eller Tromp criminel.

Men elliest medh reparationen aff flottan hoppas man snart blijfwa fardigh, ty man befinner att monge skiepp intell beskadhade ahre. Och dee Engellskes ostentation har pa Custerne meenas alleena wara, till att wijsa, att dee, för denne gongen, hafwe hafft advan tagen, och behallitt falltett aff bataillen.

Man taalar har nu myckitt om een reconciliation emillan de Ruyter och Tromp, och att man anwander all mögieligh flijt till att foordelighest fa, flottan i Siöen igien. Och i medlertijdh hafwer man resolverat att latha, komma hijt 6 compagnier till hast, pour garder les costes, sasom och ett compagnie till Frijslandh, att sammaledes halla wadet wijdh Custerne dar, sa lange som der Engellske skieppen dominera har för Landett.

[Vertaling:]

Men bevindt niet dat de jongste slag veel schade heeft toegebracht, daar admiraal de Ruyter zelf in zijn brief van 6 Aug. schrijft dat het geheele eskader van Tromp van 32 schepen weinig of niet beschadigd is. Tromp bericht dat hij een Engelsch schip in den grond geschoten heeft en een brander heeft doen springen, en dat de Statenvloot slechts twee schepen verloren heeft: die van Banckert en van Hillebrandt. Maar de eskaders van de Ruyter en Jan Evertsen moeten deerlijk toegetakeld zijn, zoodat men nu gedoogen moet dat de Engelschen hier voor de kust komen braveeren; eergisteren heeft men er wel 80 voor Scheveningen gezien. Het ergste is dat de Hollanders de zee uit geveegd zijn: men zegt dat de Ruyter zoo heftig aangevallen en omsingeld is geweest, dat hij meer dan eens moet hebben gezegd: „ware ik toch zoo gelukkig dat een stnk lood ook. mij trof, en dat ik deze schande niet behoefde te beleven," ziende zich verlaten of zeer slecht gesecondeerd. De schuld wordt geheel aan Tromp gegeven, wien de Ruyter op zijn schip harde verwijten gedaan heeft, waarop ook Tromp een hooge taal moet hebben gevoerd, en met beleedigende woorden tegen de Ruyter is uitgevaren; hij dreigt, niet meer in zee te willen gaan; een dreigement dat hij

Sluiten