Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetgeen de Pararaton van hem vertelt. — Wiraraja's naam Banak wide. — Diens zoon Nambi.— Pinggir (r)aksa. — Oorkonde van 1216 Qaka, zie Hoofdstuk VI. — Kêrtanagara bijgezet. — De pamalayu, zie Hoofdstuk VI en IX.

Hoofdstuk VI. (Bl. 19 reg. 20—bl. 24 reg. 33) . . ^S'.V».'''-. . . Bl. 84.

Interregnum (Jayalcatong), Qaka 1197 (1214)—1216.

Aant. Daha weer meester. — De patumapël en Raden Wijaya's lotgevallen volgens de oorkonde van 1216. — De geloofwaardigheid van de Pararaton. — Onderlinge vergelijking. — De Chineesohe expeditie volgens de Chineesche berichten. — Een enkele bijzonderheid anders opgevat dan door den Heer Groeneveldt. — Canggu. — De traditie van Java omtrent de stichting van Majapahit. — Punten van overeenkomst tusschen de westelijke en de oostelijke overlevering. — De tot dusver gangbare meening van de grootere oudheid van Majapahit onhoudbaar. — De oorkonde van Qaka 762 is onecht en daarmede, vervalt alle grond voor die meening. — Wat de •' Chineesche teksten en de Nagarakërtagama leeren.—'Majapahit desniettemin toch ouder? — De argumenten te putten uit de Panji-verhalen en de Merveilles de 1'Inde. — De resultaten der pamalayu. — Het dara in de namen der uit Malayu medegebrachte prinsessen. — Marmadewa en de koningsnamen met war ma. — Jayakatong's kidung, gevangenschap en dood.

Hoofdstuk VII. (Bl. 24 reg. 34—bl. 25 reg. 2) Bl. 123.

Baden Wijaya, als koning KïrtarAjetsa (Jaymvardhana), Qaka 1216—12 .. (1231).

Aant. Wijaya's koningsnaam. — Zijn sterfjaar. — Fouten in de cijfers en de jaartallen in de Pararaton. — De dood der drie gemalinnen van Kërtarajasa. — De bijzetting van den koning.

Hoofdstuk VIII. (Bl. 25 reg. 3—bl. 27 reg. 17) . Bl. 125.

Kala gëmet, als vorst Jayanagara, Qaka 1217 (1231)—-1250.

Aant. De troonsopvolging door Jayanagara. — Nogmaals een gedeelte van de oorkonde van 1216 (de binihaji van Kërtarajasa en haar kinapatan^, Jayanagara). — Zang XXII tot XXIX van de (grootere) Sajarah Bantën. — Rangga lawe's opstand en de kiglung, die zijn naam draagt. — Banak wide krijgt zijn deel van Java.—De opstand. >van Nambi. — De pakuti. — Iets over Gajah mada. — Jayanagara's dood en bijzetting. —• Zijn halfzusters en haar echtgenooten. — De in de Pararaton voorkomende Paramecwara's.

Hoofdstuk IX. (Bl. 27 reg. 18—bl' 28 reg.- 28) HH Bl. 139.

Bhreng Kdhuripan, Qaka 1250—12,72. * ■

Aant. De opvolgster van Jayanagara prabhü istri I. — Het opschrift op den beschreven steen van Nglawang. — De Rajapatni. — De tijd, waaruit dit opschrift dagteekent, in verband met de inscriptie op den Manjucri en den tekst, nader bepaald. — Sadeng. — De Këlut-uitbarsting. — De in de gelofte van Gajah mada genoemde landstreken, bepaaldelijk Tumasik èn Tanjungpura, ■— Gegevens uit den Nagarakërtagama. — Wat met Malayu

Sluiten