Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A loopt niet- verder dan hetgeen men beneden vindt op bladz. 17, regel 9. Dat handschrift was het eerste, dat mij [Brandes] in handen kwam en vormde diensvolgens den legger voor dit gedeelte [in de eerste editie, waar de] er door geleverde tekst kon gecollationeerd en verbeterd worden met behulp van dien der andere handschriften. [Dit is ook nu zoo gebleven. Alles bij elkaar genomen waren de afwijkingen, ook van de nieuwe handschriften, van te bijkomstig belang om hierin wijziging te brengen. Het handschrift B werd] door den resident van Bali' en Lombok verstrekt en het ander, C, als een geschenk ontvangen van den Heer L. Th. Maijer, zie Not. B. G. XXVI (1888), 130; XXVII (1889), 24 en 136. Zoowel B als C bleken, in het latere gedeelte, op verschillende plaatsen, belangrijke leemten te hebben. Dientengevolge konden bijv. bl. 24 reg. 9—bl. 25 reg. 11 alleen volgens C, en bl. 27 reg. 26—bl. 28 reg. 8 slechts uit B gegeven worden. [Bij onderzoek der andere handschriften bleek, dat F evenals B het stuk van bl. 24 reg. 9—bl. 25 reg. 11 mist en G evenals C bl. 27 reg. 26—bl. 28 reg. 8. T: . -

D is codex 4401 uit de Leidsche verzameling. Het is volledig, behalve dat een kolophon ontbreekt. Van der Tuuk heeft er nog eigenhandig bijgeschreven: „gakakalaning sinurat larapaJtëamisayeku", dus gelijk aan C.

E is codex 4402. Eveneens volledig. Uit de kolophon blijkt, dat het in 1764 Qaka is gecopieerd. E is het eènige in Javaansch karakter, de overigen, behalve F, zijn alle in Balineesch karakter.

F is codex 4403, eigenhandig door Van der Tuuk in Latijnsch karakter geschreven. Het is een copie van 1673 Qaka.

G is codexv4404. Het eindigt bij bl. 31 r. 28 van de editie bij „fafai" en heeft dus geen dateering.

H is codex 4405. Het is incompleet en eindigt bij bl. 18, reg. 16 in het begin van de geschiedenis van Bhatara Qiwabuddha. Na „Qiwabuddha" van reg. 16 laat het als ter afronding nog volgen: „sira aduwe suta istri roro jaga temokëna ring raden Wijayakrama", welke zinsnede aan bl.'19, reg. 37 herinnert. Daarna volgt nog een kolophon zonder jaartal.

i^p I is het tweede gedeelte van codex 3865. Het eindigt met: „wus sinurat ring dina 6 gukra, wara mënahil, tanggal 12, kasih ka, pa, rah 4, tënggëk 7" en de gebruikelijke bede om vergeving voor domheid.

K wordt gevormd door eenige bladen van codex 3142b, een cakëpau, die overigens het begin van de Tatwa Sunda bevat. Het zijn fol. 10, dat loopt van bl. 8 reg. 5 der editie (mbehan, wilasa) tot bl. 8 r. 33 (denta mu); fol. 33, loopend van bl. 25 reg. 13 (sira mahapatï) tot bl. 26 reg. 3 (pragastinë); en fol. 40, loopend van bl. 31 reg. 16 (patang tahun) tot bl. 32 reg. 12 (mokta sang). Dit is dus van heel weinig belang.]

Uit de aan den voet der bladzjjden opgegeven varianten blijkt steeds welk handschrift of welke der handschriften den tekst leverden; men houde daarbij

Sluiten