Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beslapen, zal dat zijn dood zijn, en straks mijn zoon niet louter ') wezen. Die zoon van mij moet Ken Angrok heeten, hij zal later den toestand van het land Jawa geheel wijzigen" 2). Bhatara Brahma verdween. Ken Endok vervolgde daarop • haren weg naar de sawah en kwam bij Gajahpara. Zij zeide: „Gajahpara, verneem dat ik op de Tëgal ing lalatëng door een (of den) onzichtbaren god beslapen ben. Hij gaf mij de opdracht: slaap niet meer met uwen man, hij zal sterven, als hij het mocht doorzetten met u te slapen, en mijn zoon zal niet meer louter zijn". Daarop keerde Gajahpara huiswaarts. Daar noodigde hij Ken Endok uit met hem tè slapen, haar nog eens willende beslapen. Ken Endok wilde van hem niet meer weten (en zeide): „Gajahpara, ons huwelijk is ontbonden; ik ben bevreesd voor hetgeen de god zeide, mij niet toe te staan mij weer met u te vereenigen". Gajahpara zeide: „Wijfje ^), wat zou het, wat zal ik 'er aan doen; ik vind het goed van u te scheiden en wat onze have aangaat, wat van u kwam 4) keere tot u weer, wijfje; wat mij toebehoort, kome weer aan mij".

Daarna, na deze afspraak, ging Ken Endok weer terug naar Pangkur, aan de overzijde van de rivier, in het noorden; Gajahpara bleef5) te Campara, op den zuidelijken oever. Na nog geen vijf dagen stierf Gajahpara.

De menschen riepen: „Hoe wonderbaarlijk gevaarlijk °) is dat nog ongeboren kind (al); nog maar kort zijn zijne ouders gescheiden, en nu sterft zijn vader reeds".

Toen het kind later voldragen was, baarde Ken Ëndok een jongen. Zij wierp hem op de pabajangan ').

Nu wilde het geval dat er een dief, Lembong was zijn naam, die bij toeval op die pabajangan kwam, (er) iets zag lichten 8). Hij ging er op af, en bespeurde °) een weenend kind. En naderbij gekomen, bleek het, dat dat schreiende kind dat licht van zich gaf. Hij nam het op, en droeg het in zijne armen naarhuis, waar hij het als kind aannam. Ken Endok hoorde het, dat Lembong een kind had aangenomen, — een der mannen van Leihbong vertelde het, — en welI0) een kind, dat hij op de pabajangan gevonden had, en dat hij 's nachts licht had zien

1) Kacacampuran, vermengd, niet zuiver en alleen mijn zoon; intusschen beteekent campur ook geestelijk onrein, besmet.

2) Kang amutër bhumi Jawa zou in een geschrift van lateren tijd beteekenen: „heer van Jawa, daar koning". In aanmerking nemende wat Ken Angrok verricht, een geheel anderen toestand op Jawa in het leven roepen, en bet gebruik van het woord op bl. 13 reg. 15 tëlas purwa-wetaning Kawi kaputër (zoo leze men daar), en bl. 14 reg. 33 kaputër bhumi Jawa denira, heeft men hier amutër naar zija eigenlijke beteekenis op te vatten.

3) In het Jav. staat er nini, evenals zij Gajahpara met kaki aanspreekt.

4) In 'tJav. rënarëni; de vertaling is op dé gis.

5) J. maVér, nog zijn.

6) In 't Jav. panas; kamaküra, nieuw-Jav. mangkara.

7) Van bajang; volgens Dr. Van dep Tuuk is pabajangan, kerkhof voor kinderen, die nog niet van tanden hebben gewisseld.

8) Zie nog beneden.

9) In 't Jav. amirësep, vgl. bl. 5, reg. 22, en zie nog bl. 22, reg. 15. — J.: hoorde. 10) J.: meenen.

Sluiten