Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven. Toen ging zij tot hem, (en nu) bleek het, dat het haar kind was. Zij zeide: „Lembong, misschien kent gij het kind niet, dat gij gevonden hebt; het is een kind van mij; wilt gij weten ') wat er de oorsprong van is, Bhatara Brahma heeft het bij mij verwekt; pas er goed op, (want) als had het twee moeders [3] en één vader, zoo is dit kind". Lembong en zijne vrouw 2) hielden steeds meer van hem, hij werd langzamerhand 3) grooter, en Lembong nam hem mede uit stelen. Tot hij zoo oud was, dat hij buffels kon weiden, woonde 4) Ken Angrók te Pangkur. Alles wat' Ken Endok en alles wat Lembong bezat maakte hij op 5), en ten slotte raakte hij, voor den amandala van Lëbak een span buffels weidende, na eenigen tijd (ook) kwijt de buffels, die hij (voor hem) weiden moest.

De amandala schatte ze op 8000 Qcepeng). Nu kreeg Angrok van zijn vader en moeder beiden hevige verwijtihgen: „Jongen, — zeiden zij, — nu moeten wij pandeling0) worden; ook al vlucht gij niet weg, wij moeten toch pandeling bij den amandala van Lëbak worden". Dat verdroeg hij niet'); hij liep (dus) weg, en verliet zijn beide vaders te Campara en te Pangkur 8).

Daarop ging hij heen 9) en vluchtte hij naar Kapundungan, maar tot wien hij zich ook wendde om er te blijven, men wilde van hem niets weten.

Nu was er een scyï-speler l0) van Karuman, Bango samparan geheeten. Hij verloor bij het spelen aan den malandang van Karuman, en kon, toen hij gemaand werd, niet betalen "). Bango samparan verliet nu Karuman om te Rabut jalu te gaan bidden 12). Uit den hemel een stem hoorende, die hem beval weer naar Karuman terug te gaan, „Ik heb een zoon, die uw schuld zal delgen; hij heet Ken Angrok", verliet Bango samparan Rabut jalu, liep den ganschen nacht door,

1) Wikann, conj. van oud-Jav. wihikan.

2) In 't Jav. sasomah rësëp (?). — J. rësëp, zeer, erg.

3) In 't Jav. sakalawonlawon, langzamerhand, v. d. T.

4) Lees anger ing. •

5) In 't Jav. tinotohaltën; in A tinotorakën.

6) Dat dit hier de vertaling van anunggua moet zijn, ligt voor de hand. — P : wij beiden zullen pandeling worden, als gij maar niet wegvlucht; wij willen toch pandeling bij den amandala van Lëbak worden.

7) J.: ongedacht, of: zich niet onderwerpende.

8) Te Camparft had zijn moeder's man Gajahpara gewoond, maar deze was dood. Dat ook Lembong daar woonde, bleek boven niet. Eerder zou men zeggen, dat diens verblijfplaats te Pangkur was, waarheen Ken Endok terugkeerde. Ook als men rama in den zin van „ouders" opvat, blijft dezelfde moeielijkheid bestaan, (tenzij Lembong te Campara woonde. P.).

9) Aysah = esah = kesah, hier gewoonlijk sah. — J. Ontbr. bij Van der Tuuk.

10) Wat saji voor een spel is, is mij onbekend; in B ontbreekt het woord. — J.: een spel houder.

11) In 't Jav. tanpangëmasi; de eigentlijke uitdrukking voor sneuvelen is angëmasi pati, "het met den dood betalen, zooals men hier nog vindt op bl. 21, reg. 18; de nieuwJavaansche uitdrukking is goed gezien slechts een ellips, of een restant.

12) In 't Jav. ananakti; onwillekeurig zou men, om de overeenkomst in voptrt der beide letters n en bh in het Balineesch-Javaansche schrift, hier en bl. 8, reg. 6 abhabhakti willen lezen. [Dit is de lezing van handschrift F.] De vertaling is op de gis. Het woord schijnt te beteekenen bijv. ergens den nacht gaan doorbrengen om er te droomen.—'P. Vgl. Jav. nënëpi.

Sluiten