Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tolboom Omhakken. Toen brak hij in weenen nit, en riep hij zijnen vader ') te hulp, •en nu hóórde hij een stem in het luchtruim hem bevelen (twee') taZ-bladeren af te hakken om die rechts en' links als vleugels te gebruiken, opdat hij daarmede naar den oostelijken oever, de overzijde, zou kunnen vliegen; (want) het was er nog ver van daan, dat hij (nu reeds) sterven zou. Hij hakte twee JaJ-bladeren af, gebruikte die als vleugels, vloog naar den tegenovergelegen oostelij ken oever, en ontkwam (zoo) naar Ragamasa (of Nagamasa). . < v.

Men zette hem nog na, doch hij wist den kreits van Oran te bereiken, werd ook daarheen weer vervolgd, maar 'ontkwam toch weer naar Kapundungan.

Hij trof daar den amandala bezig met planten. Deze verborg hem, na hem tot zoon aangenomen te hebben. Die amandala had zes kinderen, die alle daar aan het- planten waren. Juist was er één (van hen) weggegaan om te visschen, zoodat er nog maar vijf waren; in de plaats van den afwezige werd Ken Angrok aan het planten gezet. Zijn vervolgers kwamen en (een van hen) zeide tot den amandala: „Mandala, ik zet iemand na, die het erg lastig maakte; hij vluchtte zoo even hierheen"2). De amandala antwoordde: „(Oordeel zelf,) ik3) lieg het heusch niet, dat hij hier niet is4). Ik heb zes kinderen; hier zijn er juist zes' aan het planten, tel ze maar; als er meer dan zes zijn, [6] dan is hier nog iemand anders". De vervolgers zeiden: „Het is waar, dat de amandala (maar) zes kinderen heeft, en er zijn er hier maar zes aan het planten". Zij gingen daarop verder. De amandala sprak toen tot Ken Angrok: „Mijn jongen, ga heen; mogelijk komen die u zoeken, nog terug, (en) beredeneeren zij wat ik zeide nader, (dan) geeft het niet, dat gij tot mij uw toevlucht hebt genomen; vlucht naar het bosch". Ken Angrok antwoordde: „Ik zal niet wachten op die mij vervolgen" 5), en zoo is het er toe gekomen, dat Ken Angrok zich naar het bosch begaf, dat Patangtangan heette.

Daarop vluchtte hij naar Ano, en van daar naar het bosch te Tërwag, maar hij werd weder en in nog hooger mate lastig.

Nu gebeurde het, dat de amandala van Luki, tegenover °) de wëlahan '), zijn gaga-veld ging beploegen, om er een boonenveld van te maken. Hij nam eten voor zijn buffeljongen mede. Dat plaatste hij op een der stapels 8), in een bambu-

1) Kang ayacadharma ring sira, letterlijk: die voor hem roem stelde in het vervullen van zijn plicht; maar bedoeld is hier een godheid, en deze wijst hem dan ook aan wat hem te doen staat; onwillekeurig vraagt men zich af of uit deze uitdrukking niet geboren zou zijn het sudarma (in den zin van vader) in de nieuwere Jav. litteratuur.

2) P. Deze zin kan ook vragend zijn.

3) Dayakanira, voornaamwoord van den Ie» persoon van een brahmaan, v. d. T.

4) J.: ik ben volstrekt niet leugenachtig; dat hij hier niet is (bewijst:het volgende).

5) In het Javaansch staat er angher manih kang amburua. —P. 'De ontkenning is dus van Brandes. — J.: zal ik wachten, die zullen vervolgen? '

6) J.' artgarêpi, zeldzaam.

7) De beteekenis is mij onbekend. — J. V. d. T. wëlahan = wëlaran, abyan, hof.

8) In 't Jav. wujungundung. fc.'SJjpSl!

Sluiten