Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het geheel dus had hij 9 kinderen, 7 zonen en 2 dochters.

Zoo was er een verandering in den stand van zaken beoosten het Kawi-gebergte gekomen. Allen beoosten den Kawi hadden ontzag voor Kén Angrok, die er toen nog pas aan dacht ») koning (ratu) te willen worden, wat de lieden van Tumapël (ook) verlangden.

Nu geschiedde het, dat (als) door Gods bestiering de koning van Daha, vorst Dangdang Gëndis, tot de geestelijke heeren in Daha zeide: „Heeren geestelijken van de ciwaitische, zoowel als van de buddhistische geloofsleer (cewa-sogata), hoe komt het, dat gij voor mij geen sembah maakt, want ik ben toch Bhatara Guru". De geestelijken, geen een uitgezonderd van hen, die er in Kadiri waren, antwoordden: „Heer, er is nog nooit een geestelijke geweest, die voor een koning een sembah maakte". Zoo spraken allen. Dangdang gëndis zeide: „Welnu als men dat vroeger niet deed, maakt gij dan nu voor mij een sembah; als gij mijn wondermacht niet inziet, zal ik u er een blijk van geven". Hij plaatste een speer met de schacht in den grond, zette zich op de punt er van, en sprak: „Ziet, heeren geestelijken, hoe wondermachtig ik ben", (en) hij vertoonde zich vierarmig en drieoogig, juist als Bhatara Guru. Doch de geestelijke heeren van Daha, (nu) verplicht voor hein een sembah te maken, wilden (het nog) niet, maar verzetten zich, en vloden naar Tumapël, bij Ken Angrok. Daarmede begon Tumapël zich aan Daha te onttrekken.

Ken Angrok werd daarop tot vorst (prabhu) van Tumapël, wat een naam is van het rijk Singasari, erkend, en onder den naam Cri Rajasa, Sang Amürwabhümi, gehuldigd 2) door de ciwaitische en buddhistische geestelijke heeren, van Daha, vau welken de eerwaarde Lohgawe de voornaamste was 3).

Allen, die Ken Angrok vroeger, toen hij nog niets (ongelukkig) was, lief hadden gehad en hem medelijden hadden bewezen, hielp hij (nu), hun hunne welwillendheid vergeldende, zooals bijv. Bango samparan, om niet te gewagen van den amandala van Turyantapada, en de kinderen van den smid Pu Gandring van Lulumbang. [14] Honderd smeden 4) van Lulumbang zouden vrij zijn van de belastingen saarik purih, satampaking wulukune, wadung-pacule5); dè zoon van Këbo hijo kreeg dezelfde rechten als de kinderen van Pu Gandring; een zoon van

1) Ariwariwa, ongedurig, besluiteloos, v. d.T. — J. met yan: nog geen besluit kunnen nemen; overigens mariwa-riwa verklaard als. lumacalaca = beginnen (Jav. wtoco2= sembrana). Vert.: Nadat (eerst) 't Oosten van den Kawi door A. bestuurd werd. en 't heele Oosten voor hem vreesde, toen pas begon hij te willen, enz.

2) In 'tJav. ingastryan.

3) In 'tJav. asangkapani; moet in waarde zooveel als gelijk zijn aan purohita.— P. Vgl. anawung gangka, Nag. 12:1 (zie p.257 der afzonderlijke editie van 1919); *Bal. sang amangku kul putih.

4) P.: De afstammelingen van den smid; satuse is niet van (s)atus, honderd, maar van tüs, afstammeling (V. d. Tuuk s. v.) — J. Vgl. 12 tumus; al de afstammelingen.

5) P. Zij zouden dus vrijgesteld worden van het stuk land, dat zij met ploeg en pacol bewerkten, van het bosch, waar zij de boomen met de wadung omkapten, kortom'.van alles.

Sluiten