Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn eerwaarden vader (Lohgawe), de jongeling Sadang (of Sada), dien deze bij een wisnuitische vrouw had verwekt, moest huwen met Gucupuranti, de dochter van vader Bango. Zoo luidde het bevel van sang Amürwabhümi.

Singasari was zeer welvarend, men genoot er algemeene rust.

Nadat reeds eenigen tijd zich het gerucht verspreid had, dat Ken Angrok koning (ratu) was geworden, bracht men vorst Dangdang gëndis het bericht, dat (hij, thans) sang Amürwabhüini (geheeten), tegen Daha wilde optrekken. Vorst Dangdang gëndis zeide: „Wie zou "mijn land ten onder kunnen brengen? Slechts als Bhatara Guru (zelf) uit den hemel komt afdalen, misschien dat het dan gelukken kan" '). Dit werd Ken Angrok bericht. Deze zeide toen: „Keurt het, geestelijke heeren, goed, dat ik den naam Bhatara Guru aanneem". Met hunne goedkeuring -noemde hij zich daarop zoo2). Daarna viel hij Daha aan. Vorst Dangdang gëndis vernam, dat sang Amürwabhümi van Tumapël tegen Daha opgetrokken was; hij zeide: „Wee mij, want Angrok heeft de gunst en steun der goden". Tusschen de legers van Tumapël en Daha kwam het tot een treffen, (iets) benoorden Gantër; aan weerszijden streed men even heldhaftig en werden er belangrijke verliezen geleden, doch Daha verloor het. Een jongere broeder van Dangdang gëndis, de ksatriya Raden Mahisa walungan, stierf den heldendood 3), evenals een van diens mantri'a, Gubar balëman geheeten; zij werden beiden4) door de lieden yan Tumapël overmand, maar men vocht-verwoed (als boeta's die bergen verslonden) s). Daarop, nl. toen hun chef overmand was, sloeg het leger van Daha op de vlucht; men vluchtte als bijen, die uitzwermen, enz. °), er was geen herstellen aan. Toen trok ook vorst Dangdang gëndis zich uit het gevecht terug; hij vluchtte naar een godshuis (dewalaya), en hing zich 7) met paard en schildknaap8), met payung-drager en sm'A-drager, zijn water-page en den page, die zijn mat droeg, op in de lucht9). [De overwinning van Ken Angrok op Daha was volkomen 10)]. En toen zijne (Dangdang gëndis') vrouwen, Dewi Amisani, Dewi Hasin en Dewi Paja, vernamen, dat vorst Dangdang gëndis den strijd verloren had, en in -het

1) In het Jav. sugyan kalaha.

2) Zie boven.

3) In 't Jav. bamakrti, van bhdma en Akrti. — J. Van der Tuuk andere verklaring, S. bdma.

4) In 't Jav. wordt de laatste hier genoemd voadwa pinakatihati. — J.: waarop men vertrouwt.

5) Amah gunung denipun aprang, — P.: als een banjir op een berg; mah gunung = O. Jav. wah gunung, overstrooming in 'tgeWgte. — J. vereenlgt zich hiermee, amah, eten, is Bal.

6) De uitdrukkingen, die hiér gebruikt worden, zjjn: bubar tawon, pungkur wëdus, dahut payung. — J. V. d. T. mungkur wëdus, mungkur minda, s.v. minda.

7) J.: een godenverblijf, efet in de lucht hing. Of: eh ging in de lucht.

8) J.: stalknecht.

9) In 'tJav. angawangawang. ^.i.

10) Deze zin, .the hier niet op zijne plaats staat, moet iets lager voorkomen, waar men hem tusschen haakjes herhaald vindt.

Sluiten