Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(d. w. z.) de zon net was ondergegaan, en men de sanda'a aanstak. Na het vermoorden van sang Amürwabhümi vluchtte die man van Batil tot Anüsapati, (tot wien) hij zeide: „Ik heb uwen vader gedood". Nüsapati doorstak hem daarop. In Tumapël zeide men: „De koning is verraderlijk vermoord door een pangalasan van Batil, maar Nüsapati heeft dezen daarop op een zelfde^ wijze ') gedood".

Sang Amürwabhümi stierf in Caka 1169. Hij werd bijgezet2) in Kagënëngan.

AANTEEKENTrTG.

In een der. noten, boven bij het begin der vertaling, werd er reeds op gewezen op welke wijze men verreweg het grootste gedeelte van het eerste hoofdstuk heeft op te vatten. Het moet slechts dienen om aan te toonen welk een bijzondere persoonlijkheid Ken Arok, de latere Qri Rajasa, sang Amürwabhümi, zelfs Bhatara Guru, geweest is,- en van daar dan ook die opsomming van al het kwaad dat hij verrichtte: stelen, straatroof, moord en doodslag, maagdschoffeering en wat dies meer zij, die slechts dienen moet om het te laten uitkomen, dat hij zulks ongestraft mocht doen, voorbeschikt als hij was om, van goddelijke afkomst als een zoon van Bhatara Brahma, als een (aangenomen) kind van Bhatara Guru 3), en uitgelezen door Bhatara Wisnu om er zich in te incarneeren, straks een koningstroon zich te verwerven, zich zelfs den meerdere te toonen van den toenmaligen machtigsten vorst op Java, en, wat zeker nog meer gewicht in de schaal heeft gelegd, met het stichten van een nieuwe dynastie, die in zijn persoon een aanvang nam, een geslacht op den troon te helpen, dat een lange reeks van jaren achtereen het opperbewind voerde althans over een belangrijk gedeelte van Java, het vorstenhuis, dat straks het Majapahitsche kan worden genoemd, aangezien de stichter dier plaats in rechte lijn van hem afstamde. Ken Arok toch gewon Wong atëlëng, deze Këbo Campaka en deze was de grootvader4) van Raden Wijaya, die Majapahit stichtte, en als zoodanig de eerste vorst was van het rijk, dat dien naam droeg.

Ken Arok's lotgevallen nog in 't bijzonder toe te lichten is onnoodig.

Er zijn slechts enkele bijzonderheden, waarbij het wenschelijk is stil te staan.

Het lichten van zulke veelbelovende wonderkinderen komt daarbij in de eerste plaats in aanmerking, daar het zijn nut hebben kan er even op gewezen te hebben dat dit in de Javaansche literatuur telkens en telkens weer terugkeert, zoodat men haast geen plaatselijke- babad kan aanwijzen, die daarvan geen voorbeeld bevat.

lamp, pasang sande, des avonds. Vgl. Van der Tuuk s. v. kala, jabung, pasang (amasang, kanyd rdjasioala).

1) J.: als tegenpartij in den strijd staan. (vgl. V. d. T.).

2) In 't Jav. dhinarma.

3) In den Nag. wordt Rajasa bepaaldelijk zoon van Girindra, d. i. Qiwa, genoemd.

4) Volgens de Pararaton de vader; de juiste familieverhouding is uit den Nagarakërtagama gebleken. Zie de Aanteekening bi> Hoofdstuk V.

Sluiten