Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de tweede, plaats lette men er op dat de voorstelling van Ken Angrok als incarnatie van Wisnu, hoe belangrijk ook op zich zelf, geenszins alleen staat. Het dogma van Wisnu's belichamingen als redder van de wereld, waar deze in nood is geraakt, is den Javanen zeer goed bekend, al vindt men bij hen gewoonlijk slechts een paar der kanonieke incarnaties iets meer op den voorgrond. Een der bekendste dier nieuwere incarnaties van uitsluitend Javaanschen oorsprong is Raden Panji Ino Kërtapati, en het is voldoende hier nog deze genoemd te hebben.

Verder .zij er de aandacht op gevestigd, dat de smid Mpu Gandring van Lulumbang, althans tot op voor korten tijd, ook op Java nog niet vergeten was, daar men hem bijv. als Mpu Lumbang nog aantreft in de oudste redactie van de DanTar wulan, nl. die welke aan Roorda van Eysinga bekend was; voorts zie men hetgeen beneden nog wordt medegedeeld uit een Sërat kanda.-

Van meer belang is wat er van Ken pëdës wordt verhaald. Den lezer voor het bedoelde naar de betrokken plaats van den tekst verwijzende, welke op zich zelf genoegzaam duidelijk is, herinner ik hem met het oog daarop aan de vuuruitstralende prinses van West-Ja va, die vroeger voor velen eene raadselachtige persoonlijkheid moet zijn geweest, niet in staat als men was om den dieperen zin van dat verhaaltje te beseffen. Men leze Cohen Stuart's aanteekeningen in zijne uitgave van de Baron Sakender (1850), bl. (mom, 98, 160 en volgg., en de daar vermelde literatuur nog eens na, en zal, het verhaaltje vergelijkende en aanvullende met hetgeen men in de Pararaton vindt, spoedig tot het besluit komen, dat het schijnbaar zoo onzinnige vertelseltje veel meer beteekent dan het zich zoo liet aanzien. Noch Bantën (Jakëtra), noch Cërbon, zelfs het machtige Mataram niet, was in staat zich (blijvend) meester te maken van de erfenis van Pajajaran, die in handen viel van den handeldrij venden Jan Compagnie; niet één van hen kon de vuur in haren schoot verbergende prinses huwen, die hun, wien van hen ook, de opperheerschappij ten huwelijk zou hebben medegebracht, en voor een paar onnoozele kanonnetjes, zou men haast zeggen, werd zij in handen gegeven van de Hollanders, die zich op die wijze van hun bewind over West-Java verzekerden, en verzekerd konden achten. Men vindt het verhaaltje terug in vermoedelijk alle babaffs of sajaraKs van West-Java '), wel niet altijd precies op dezelfde wijze medegedeeld, daar andere tijden andere voorstellingen met zich brengen, en de ouderen vergeten geraken, maar in hoofdzaak toch overal hetzelfde. De reeds bekend gemaakte redacties er van zijn niet de duidelijkste of de beste. De navolgende passage (A) uit een korten proza-tekst, waarvan mij twee elkander aanvullende exemplaren

1) Zeker in een zeer groot aantal. Ook in verschillende exemplaren van de Babad tanah Djawi treft men het aan, zoo o. a. in den tekst vertegenwoordigd door Jav. HSS. B. G. no. 120. — In zijn opstel „Het graf te Pamlatèn en de Hollandsche heerschappij" (De Heiligen van Java VI, Tijdschr. B. G. 55, 1913) heeft Dr. D. A. Rinkes eenige nadere beschouwingen gegeven over het thema van de prinses met den vlammenden schoot, en verdere literatuur vermeld. Zie vooral p. 13 sq. aldaar, en verg. nog Dr. Hoesein Djajadiningrat, Critische beschouwing van de Sadjarah Bantün (1913) p. 286—288.

Sluiten