Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens het Javaansche recht moest de streek, dien Ken Angrok aan zijn vriend Këbo hijo leverde, het gevolg hebben, dat hij er zich van voorstelde, zoolang de laatste niet bewijzen kon, dat Ken Angrok den moord had gepleegd, en dat deze de dader was. Op deze bijzonderheid werd reeds vroeger door mij de aandacht gevestigd, in „Iets over een ouderen Dipanëgara in verband met een prototype van de voorspellingen van Jayabaya", zie Tijdschr. Bat. Oen. XXXII (1889), bl. 395, waar over 't algemeen over de plaats die Arok innam, en zijne verrichtingen, reeds gehandeld werd; zie ook ibidem, bl. 377 en volgg., waar er tevens op gewezen werd, dat de herinnering aan Ken Angrok ook op Java nog lang in leven moet zijn gebleven, minstens tot in de 18e eeuw van onze jaartelling. Ook werd daar reeds iets gezegd over de kidung Arok uit Cërbon, die, zooals hierboven in de inleiding-nog eens herhaald diende te worden, niets van eenig belang voor de behandeling van de Pararaton opleverde.

Zonder twijfel is Arok ook bedoeld in de Hikayat raja Banjar dan raja Kotaringin (Mal. kroniek van Baöjarmasin enz.), in het daarin voorkomende gedeelte over Majapahit '). Op bladz. 289 en volgg. van Tijdschr. Bat. Gen. XXIV (1877) gaf de Heer de Clercq juist dat gedeelte van het oorspronkelijk weer, dat hier in aanmerking komt, maar de tekst is erg in de war, evenals in alle hdss., die ik zag.

In N°. 200 van Von de Wall's verzameling leest men: Adapon tatkala dëhulu kala hamba (mëndëngar) kabar orang yang tuba-tuha,- negëri Majapahit itu tatkala jnman -rajaha itu mangkat makayang tinggal (lees: tatkala jaman itu maka rajaha bernama JjCü1, — zie de Clercq's tekst, — dan) mangkubumiha Urnama patih Gajah madah, dan sakaliyan orang bësar-bësar di tanah Jawa itu samuwaha taalok kapada bagenda itu, sapërti Bintan^dan Jambi dan Palembang dan Bugis dan Mangkasar dan Johor dan Patani dan Pahang dan Cémpa dan Menangkabaw dan Aceh dan Pasay, samuwaha taalok kapada bagenda itu, dan satëlah itu mati (raja JjCiu, dan mati juwa) (vgl. de Clercq's tekst, die op zijn beurt te verbeteten is naar deze) Gajah mada itu, maka turun-tumurunlah kapada anakcueuha mëhjadi patih di Majapahit itu, dan rajaha bernama di(pati) £s> (bij de Clercq 0\^£lp) [mangkubumi], dan yang jadi patihha kutika ituj^l, (lees^bjlo, bij de Clercq b^) namaha, dan tatkala jaman itu dipati mënuruhkan sëpuluh buwah përahu

dan orangha di Majapahit, dan mantriha itu bërnama Gagak (bij de Clercq £iL ufcsli), yang akan përgi ka Pasay, iyalah mëlamar putri di nëgëri Pasay itu, enz., waarop het huwelijk met die prinses en hare komst naar Java beschreven wordt, een geheel andere voorstelling dus van het bij Pasay gedane huwelijksaanzoek dan ons de kroniek van Pasay zelf geeft, en ook met een anderen afloop, zie beneden de aanteekening bij Hoofdstuk IX.

1) Over deze kroniek zie men Schwaner, Borueo, I (1853), bl. 43; Hageman, Bijdrage tot de geschiedenis van Borneo, Tijdschr. Bat. Gen. VI (1857), bl'. 225; de Clercq, De vroegste geschiedenis van Bandjarmasin, Tijdschr. Bat. Gen. XXIV (1877), bl. 238, en id., Eene episode uit de geschiedenis van Madjapahit, ibid. bl. 280.

Sluiten