Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden, dat de steen van Ngantang, Museum N°. 9, van Caka 1057 '), eigentlijk tot Kadiri behoort2), en dat Scheepmaker, uit wiens verzameling de tëmpayan is met het jaartal 1070, Mus. Bat. Gen. N°. 391, vooral in Surabaya verzamelde.

HOOFDSTUK II. Anüsapati. Qaka 1170—1171 (1149—1170).

Daarop volgde sang Anüsapati hem op als koning (ratu), in Qaka 1170.

Eenigen tijd later, vertelt men 3), hoorde Raden Tohjaya, de zoon van Ken Angrok bij diens tweede vrouw (rabi anom)4), tot in bijzonderheden hoe Anüsapati iemand omgekocht had om sang Amürwabhümi, die door dien man van Batil was omgebracht, te vermoorden. Sang apanji Tohjaya legde zich niet neder bij den moord van zijn vader; hij zon en zocht een middel' om zich te wreken, iets wat tot den dood van Anüsapati zou kunnen leiden. Anüsapati wist het, [16] dat Panji Tohjaya hem belaagde, was op zijn hoede, en liet om zijn slaapplaats een vijver graven; op het erf5) hield men de wacht c), en vertrouwde personen waren er op post gezet.

Na eenigen tijd kwam sang apanji Tohjaya (eens) tot den Bhatara (koning) Anüsapati, met een klophaan, en zeide: „Broeder, vader had een kris van Gandring, die zou ik gaarne van u willen hebben". Het was duidelijk dat het einde van Bhatara Anüsapati naderde '). Anüsapati gaf hem de kris van Gandring, Tohjaya nam hem aan, stak hem in zijn gordel, en de kris, die hij vroeger droeg, gaf hij aan een zijner lieden. Daarop zeide hij: „Kom, broeder, laat ons eens een paar hanen laten vechten". Anüsapati antwoordde: „Best, broeder". Hij liet zijn kooimeester een vechthaan halen, en zeide: „Kom, broeder, laat ons het (maar) meteen doen". „Zeker", zeide Pafiji Tohjaya. Zij deden ze beiden zelf de ijzeren sporen aan. De beide (hanen) stonden elkander, en sang Anüsapati was er geheel in verdiept. Zonder twijfel was het uur van zijn dood daar; terwijl hij op dat oogenblik8) geheel opging in het vechten, dat hij zijn haan liet doen, doorstak hem Tohjaya.

Anüsapati stierf in Qaka 1171. Hij werd bijgezet te Kidal.

AANTEEKENING-.

Anüsapati, die een naam draagt als Raden Pafiji Ino Kërtapati, in de

1) Zie den Catalogus van Groeneveldt (1887), bl. 375, een pracdsti vanjayabhaya (O. J. O. n". LXVIII).

2) Nog in de 18» eeuw behoorde Ngantang tot Këdirf (Rouffaer).

3) J.: werd het verteld?

4) Zie boven.

5) In 't Jav. pamëngkang.

6) In 'tJav. angayëngi.

7) 'Men denke slechts om den vloek van Mpu Gandring.

8) In 'tJav. kempër; dat het een synoniem van pinuju is, leidt men ook af uit bl. 18 reg. 29. — J. V. d. T. 1 verlegen bij het lezen van slecht schrift; 2 twijfelen aan (met de plaats 18:29). Wel: onachtzaam, niet bedenkende.

Sluiten