Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Malafy zie Van der Tuuk in zijn Notes on the Kawi Language and Literature, Journ. of the R. As. Soc. of Qreat Britain and Ireland, New Series, XIII (1881), bl. 51, was, zooals uit het voorafgaande bleek, een zoon van Tunggul amëtung. Met zijne troonsbestijging had dus Ken Angrok het opperbestuur nog niet voorgoed aan zijne familie gebracht. Eerst, nadat Raden Wijaya, die Majapahit sticht, koning geworden is, is zij- er voor langer van verzekerd. Na dezen Anüsapati, die intusschen weer opgevolgd wordt door een «oon van Ken Arok, Tohjaya, komt nog diens zoon Rangga wuni (Wisnuwardhana) en diens kleinzoon Kêrtanagara (Ciwabuddha) aan het bestuur.

Omgekomen in 1171 Qaka, wordt hij bijgezet te Kidal, zoodat men dus vermoeden mag, dat ook de ons bekende Tjandi Kidal, in 't Pasuruhansche, district Pakia, afdeeling Malang, zie Verbeek, Oudheden van Java, n°. 615 (bl. 295 en . 296), eene vorstelijke begraafplaats is ').

HOOFDSTUK III. Tohjaya. gaka 1171—1172.

Tohjaya (een zoon van Ken Angrok bij diens tweede vrouw, ken Umang)s) werd daarop koning (ratu) van Tumapël.

Anüsapati (de zoon van Tunggul amëtung bij Ken Pedës) had een zoon, Rangga wuni geheeten, een neef (kaponakan) van Apanji Tohjaya; (ook) Mahisa wong atëlëng (een zoon van Ken Angrok bij Ken pëdës)3), de halve broeder van Apanji Tohjaya, had een zoon Mahisa campaka, (mede) een neef (pahulunan) van Apanji Tohjaya.

Toen Apanji Tohjaya gehuldigd werd, waren alle mantri's, Pranaraja enz., opgekomen, en Rangga wuni en Këbo campaka waren daarbij. Pafiji Tohjaya zeide: „Mantri's, gij allen, in de eerste plaats Pranaraja, ziet hier mijne neven; hoe schoon zijn zij van uiterlijk en gestalte. Hoe zien mijn vijanden in andere rijken4) er uit?5). En deze beide mannen, wat zouden zij, Pranaraja?" Pranaraja antwoordde hem met een sêmbah: „Inderdaad, mijnheer, zooals u zegt, zjj zjjn schoon van uiterlijk, en beiden even moedig, maar, mijnheer, men kan ze vergelijken met een steenpuist op den navel °), in het einde') leiden zij zeker tot den

1) Nag. 41 :1 geeft als sterfjaar H70 en vermeldt verder, dat de koning te Kidal in een Ciwa-beeld vereeuwigd werd. Voor een beschrijving van het heiligdom zie Inleiding tot de Hindoe-Javaansche kunst (1920) II, p. 6—14.

2) Zie boven.

3) Zie boven.

4) In 'tJav. nusantara.

5) J.: Hoe ook... er uitzien;.hoe, wat is hun wijze van zijn, doen (bedoeling).

6) J. Bij v. d. T. ook elders van een gevaarlijk mensch.

7) In 't Jav. ri puharanya.

Sluiten