Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dood". Zijne Majesteit1) werd stil; meer en meer zag hij in wat Pranaraja's zeggen beduidde, en hij werd er verdrietig over.

Daarop ontbood hij Lëmbu ampal. Hij beval hem de beide prinsen uit den weg te ruimen. Hij zeide tot Lëmbu ampal: „Als2) het je niet gelukt die beide prinsen uit den weg te ruimen, dan doe ik het jou". Toen Apafiji Tohjaya aan Lëmbu ampal het bevel gaf de beide prinsen uit den weg te fuhriën 3), hoorde dat de brahmaan, die bij Tohjaya sangkapani was. Hij had met de prMasen te doen, en berichtte hun, dat Lëmbu ampal bevel had ontvangen hen uit den weg te ruimen4), en dat hij, als het hem met hen niet gelukte, in hun plaats door den koning zou worden omgebracht. De beide prinsen zeiden: „Eerwaarde, wij hebben niets misdaan". De brahmaan antwoordde: [17] „Verbergt gij u maar liever 5) eerst, jongens". Zij twijfelden °) nog of de brahmaan misschien geen ongelijk7) zou hebben, en daarom gingen de prinsen samen naar Apanji Patipati, en zeiden: „Panji Patipati, wij komen ons in uw huis verbergen, want8) de koning wil ons uit den weg geruimd hebben, en wij hebben toch werkelijk niets gedaan, dat wij uit den weg .geruimd zouden behoeven te worden"9). Panji Patipati onderzocht het gerucht, (en zeide): „Prinsen, als gij (niet) I0) uit den weg geruimd wordt, dan wordt Lëmbu ampal daar aansprakelijk voor gesteld" u). Zij hielden zich daarop stilletjes verborgen 12). Zij werden wel gezocht, maar niet gevonden: er werd naar hen geinformeerd, maar waarheen zij waren gegaan, werd niet vernomen.

Lëmbu ampal werd daarop door den koning er van verdacht, dat hij het met de beide prinsen eens 13) was. Er werd een aanslag op hem gedaan, en nu vluchtte hij, om zich bij zijn buurman Apanji Patipati te versteken. Daar bespeurde hij, dat de prinsen bij dezen waren. Hij ging tot hen en zeide hun: „Ik kom,

1) In 't Jav. talampakanira bhatdra; dat uit deze uitdrukking het voornaamwoord pakanira sproot is duidelijk, en evenzeer dat dit dus naar zijn waarde een fcmma-woord moet zijn (= sampeari), en eigentlijk ongepast wordt gebezigd als een hoogere het tegen een lagere gebruikt. In den tekst hier gebeurt dit dan ook niet. Hetzelfde geldt' van manira, voornaamwoord van den len persoon, dat bij pakanira behoort, en naar waarschijnlijkheid ontstónd uit oud-Jav. manöhnira, uw dienaar. — J. derde pers., V. d. T. ook elders.

2) In 't Jav. mon.

3) Lees angilangakëna.

4) J. Hier begint de rechtstreekschè rede: „Als het hem niet gelukt, jongens, zal hij in uw plaats door den koning worden omgebracht".

5) In 't Jav. aron.

6) In 'tJav. pinariringakën.

7) In 't Jav. adwa. — J.: liegen.

8) J.: wij meenen dat (nëngguh).

9) J.: als het waar is, dat wij .... hebben wij geen schuld.

10) De negatie ontbreekt in den tekst. — J. onnoodig; zie volgende noot.

11) J.: Prinsen, het komt uit, dat gij uit den weg geruimd zult worden; aan Lëmbu Ampal is het opgedragen (Vgl. V. d. T.). Hetzelfde ook bij Dr. H. Djajadiningrat (stelling proefschriift,'tt913): het is waar, dat men u uit den weg wil ruimen, L. A. is daarmede belast.

12) J.: Des te meer stond vast, dat zij.

13) In 't Jav. sakdrayita. — J. ? Zie den tekst.

Sluiten