Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geopperd, dat deze in het getal 14 steekt, in plaats waarvan men 22 verwachten zou, daar Rangga wuni in 1172 koning wordt en in 1194 overlijdt. Schuilt de fout elders, dan heeft öf Tohjaya langer geregeerd öf is de duur van de regeering van Rangga wuni's opvolger, Kêrtanagara, een andere dan beneden moet worden aangenomen. Over fouten in de cijfers of in de jaartallen door de Pararaton genoemd, in het algemeen, wordt beneden in de aanteekening bij Hoofdstuk VII iets gezegd ').

Jajagu doet denken aan Jago, dat een andere naam is voor de Tjandi Tumpang, zie de bij Verbeek, Oudheden van Java, onder N°. 614, bl. 294, opgegeven literatuur 2).

HOOFDSTUK V.

Kêrtanagara, als koning „Ciwabuddha". Caka 1194—1197 (1176—1214).

Zijne Majesteit Rangga wuni (de zoon van Anüsapati, den zoon van Tunggul amëtung bij Ken Dëdës) liet een zoon na, Qri Kêrtanagara; ook Mahisa campaka (de ^zoon van Mahisa wong atëlëng, den zoon van Ken Angrok bij Ken pëdës) liet een zoon na, Raden Wijaya 3).

Aji Kêrtanagara werd koning (prabhu) % onder den naam Bhatara Qiwabüddha.

Hij had een man, een babatangan 5) van den buyut van Nangka, Banak

1) In den Nag., die Wisnuwardbana's regeering in Zang 41:2—4 beschrijft, wordt een koningswijding van 's vorsten zoon Kêrtanagara in 1176 vermeld; in verband daarmede stelde Brandes later de vraag (Tjandi Djago, p. 97) of misschien in plaats van 14 in' den Pararaton-tekst 4 gelezen moet worden, 's Konings dood wordt er in 1190' gesteld, waarmede klopt, dat een oorkonde van 1188 (Rapp. Oudh. Comm. 1911, p. 117—123) door Kêrtanagara onder de auspiciën van zijn vader wordt uitgevaardigd, doch deze laatste op een inscriptie van 1191 niet meer wordt vermeld. Zie over die inscriptie (O. J. O. n°. LXXIX) Brandes in Not. B. G. 1898, p. 78-^81; zij noemt ook den in het vorig hoofdstuk voorkomenden Patipati. De Nag. bevestigt de goede verstandhouding tusschen Wisnuwardhana en Narasingha en maakt ook melding van de verdelging van Linggapati; verg. nog Versl. Med. 1.1. p. 316 sq. De volledige naam des konings is Jaya (cri) Wisnuwardhana blijkens de inscripties.

2) Sedert heeft Brandes zelf in de groote monografie over Tjandi Djago (1904) alle gegevens over dat monument (inderdaad het oude Jajagu) bijeengebracht; zie ook de op p. 73, noot 1 geciteerde Inleiding, Hoofdstuk XV. De Nag. geeft behalve de Buddhistische bijzetplaats te Jajaghu een Ciwaitische teWaleri op, waarschijnlijk het tegenwoordige Mëleri bij Blitar, Het heiligdom Kumëpër heet er Kumitir, het blijkt Ciwaïtisch te zijn en eerst „onlangs" (d. i. kort vóór 1287) te zijn gesticht. Wudikuncir komt in het gedicht in een ander verband (74:1) als Buddhi-kuncir voor. De plaats, waar Wisnuwardhana overleden is, was volgens een oorkonde van Pëlëm (Oudh. Versl. 1918, 3, p. 109) Mandaragiri geheeten.

3) Dit is onjuist, zie Hoofdstuk VI.

4) Van hier te beginnen is de vorstentitel steeds prabhu. behoudens in één geval, zie bl. 31 reg. 14, waar weer van ralu wordt gesproken, welk woord ook ten opzichte van de boven reeds opgesomde vorsten werd gebezigd.

5) De beteekenis is mij onbekend; men zou zeggen dat het iets als „onderhoorige" moet aanduiden.

Sluiten