Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zenden van die expeditie door China naar Java meer dan aanleiding had gegeven, doordat hij Mêng Ch'i, den keizerlijken gezant van daar, door diens gelaat te schenden, groven smaad had aangedaan, zie het bericht omtrent Kau Hsing (uit denzelfden tijd), 11., bl. 27 (151), „when Java had marked the face of the imperial envoy Mêng Ch'i", en in 't algemeen verslag, 11. bl. 22 (148), „the Imperial Government has formerly had intercourse with Java by envoys from both sides, and lias been in good harmony with it, but that they have lately cut the face of the Imperial envoy, Mêng Ch'i". Dat inderdaad Kêrtanagara bedoeld was, ziet men toch uit het boven reeds gegeven citaat uit het bericht omtrent Shih-pi ').

In het vervolg komt Wiraraja's vroegere naam, Banak wide, niet meer voor. Met het oog op de Javaansche traditie omtrent de stichting van Majapahit, waarover in de aanteekeningen bij het volgende hoofdstuk het een en ander dient te wórden gezegd, zij hier op dien naam even de aandacht gevestigd 2), terwijl het tevens van belang is er op te wijzen, dat er hier wel gesproken wordt van een zoon van dezen persoon, doch dat deze niet Rangga lawe heet, wiens naam hier ook voorkomt, zie bl. 19, reg. 10, maar Nambi3).

Het pinggir Aksa van den tekst, $&Hri»mJi> werd boven in de vertaling reeds in pinggir raksa, wat het zijn moet, verbeterd. Het is terug te vinden in het tegenwoordige Lêksa, langs welke rivier men nu nog vindt de overblijfselen van een versterking, iets in den trant van den Chineeschen muur, doch natuurlijk van veel minder beteekenis. Over deze ruïnen sla men na Dr. Verbeek's Oudheden van Java, bl.- 269 en 291 (N°. 552 eri 608) en de daar opgegeven literatuur. T. a. p. vestigde genoemde geleerde er reeds de aandacht op, dat genoemde muur wel de grensscheiding tusschen Tumapël en Daha zal zijn geweest4).

Sumënëp, het oostelijk gedeelte van Madura, heet hier Sungënëb.

Met het oog op- het historische gehalte van dit hoofdstuk, dat wij lieten eindigen met den dood yan Kêrtanagara, zou hier ter plaatse reeds een heel stuk dienen te worden aangehaald uit de reeds genoemde oorkonde van 1216 Qaka, aangezien men in die oorkonde een kort, maar officieel verslag aantreft van den hier voorkomenden krijg door Jaya katong met Kêrtanagara gevoerd. Met den dood van den laatste was de veldtocht echter nog niet afgeloopen. Zooals uit het begin van het volgende hoofdstuk blijken kan, moest Raden Wijaya, die uitgezonden

1) Over de zending van Meng K'i naar Java is nader gehandeld door Kramp in het Album Kern (1903), p. 357—361. Zie beneden.

2) Poerbatjaraka oppert de mogelijkheid, dat Wiraraja oorspronkelijk de Menak Jingga der Javaansche overlevering zou zijn. Wira, held, is min of meer aequivalènt van menak, terwijl raja en jingga beide de beteekenis rood hebben.

3) In de Rangga lawe wordt van Rangga Lawe gesproken als van een zoon van Wiraraja, vgl. de opmerking over de Rangga lawe in de inleiding.

4) Verg. over deze grens nog Inl. t. d. Hind.-Jav. kunst (1920), II p. 3. Het in den tekst genoemde Lawor isfdoor Van Stein Callenfells in Oudh. Versl. 1918, 2, p. 84 sq. geïdentificeerd met de Kali Lahur, de rivier met welke de Lëksa zich vereenigt juist boven de brug in den nieuwen weg Blitar-Malang.

Sluiten