Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was om het noordelijke vijandelijke leger te verslaan, nog overwonnen worden, en ook dit vindt men in die oorkonde .terug, evenals de verdere lotgevallen van dezen prins tot hij naar Madura weet te ontkomen, zooals het volgende hoofdstuk almede vertelt. Het schijnt meer doeltreffend te zijn hetgeen die oorkonde verhaalt, niet te splitsen, en daarom wordt eerst straks, in de aanteekening bij het volgende hoofdstuk, hetgeen zij bevat en met het laatste gedeelte van dit hoofdstuk overeenkomt, medegedeeld; men zie dus ook nog beneden ').

Kêrtanagara, met wien Tumapël valt, was de eerste die den titel prabhu voerde, bl. 18 reg. 16.

Waar hij bijgezet werd, vindt men eerst later, in Hoofdstuk VII, verteld, zie bl. 25, reg. 4 2).

Over de Pamalayu, zie men bij Hoofdstuk VI en IX.

HOOFDSTUK VI. Interregnum. (Jayakatong). Qaka 1198 (1214)—1216.

Raden Wijaya van wien (boven) verhaald werd, dat hij naar de noord was gegaan, bracht men er bericht van, dat Bhatara Ciwabuddha door-troepen van Daha, die uit het zuiden een aanval hadden gedaan 3), gedood was, en dat (ook) de oude patih het met den dood had moeten betalen, evenals de overige personen van het gevolg van Zijne Majesteit. Daarop keerde Raden Wijaya met al zijn volgelingen snel naar Tumapël terug. Daar trachtte hij, doch te vergeefs, te herstellen wat er verloren was *); hij werd op zijn beurt teruggeslagen, (en) vervolgd door Këbo Mundarang vluchtte hij op de oploopende sawah's, terwijl Kebo Mundarang naar Buntal wilde optrekken 5). Raden Wijaya nam het slikbord van een ploeg, die daar lag, en sloeg daarmede °), zoodat Këbo Mundarang's borst

1) Opmerking verdient, dat de Nag. een geheel ander beeld van Kêrtanagara geeft. De vorst wordt er zeer geprezen, in het bijzonder als vurig Buddhist. Zie Zang 42:3—43:4. Het sneuvelen van den rijksbestierder iegelijk met den koning wordt bevestigd door de inscriptie van 1273, bovenbedoeld.

2) Het daar genoemde Pürwapatapan te Tumapël is door Brandes in de Singasarimonografie (p. 36—38) gelijkgesteld met den torentempel van Singasari, waartegenover men zie Inl. t. d. Hindoe-Jav. kunst (1920), II p. 29 sq. Over den Ciwabuddha-tempel te Jajawa verg., men aldaar p. 72—81, over de andere bijzetplaatsen Nag. 43:5,6 en p. 277—279 der editie. Aan de daar besproken litteratuur kunnen thans nog worden toegevoegd artikelen van Bosch en Poerbatjaraka in Oudh. Versl. 1918, 1, p. 21—32; 3, p. 113—115; 4, p. 156—163. Volgens Poerbatjaraka zou ook Pürwapatapan een Ciwabuddha-tempel zijn geweest, terwijl Bosch op goede gronden aannam, dat wij in den grooten Buddha op het ass.-res. erf te Malang 's konings beeltenis over hebben.

3) Anduni, in pl. van andoni. — P. aneduni van tëdun, neerdalen enz. — J. id. Verg. tumedun, 14:19.

4) J. V. d. T.: wreken.

5) In 'tJav. anduka. — J. anduk — nuju, treffen (Jav. Wdb.). %

6) De uitdrukking mancal is mij hier onduidelijk. — J.: de aardkluiten wegschoppen. — P.: stootte op een kluit aarde, losgeraakt door den ploeg.

Sluiten