Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en gezicht vol slijk geraakten. Deze trok zich daarop terug, en zeide: „Wel! gij zijt werkelijk een dewa (iemand van vorstelijke, goddelijke afkomst)". Daarop verdeelde Raden Wijaya (zijn) lahcingaa giringsing ') aan zijne dienaren, een ieder kreeg er een, omdat hij een verwoeden aanval doen wilde. De bedeelden- waren Sora, Rangga lawe, Pëdang, Dangdi, en Gajah. Sora deed een aanval, en vele lieden van Daha vielen. Sora zeide toen (tot den prins): „Nu, prins, moet gij een aanval doen, nu is het de goede gelegenheid". De prins-deed een aanval, en er vielen er nog veel meer. De lieden van Daha trokken zich, door den nacht overvallen, terug, en maakten zich een bivounc. Toen zij in slaap waren, overviel Raden Wijaya hen op nieuw, en daarop geraakten de lieden van Daha van elkander; velen werden er gewond door de speeren van hun eigen makkers, en er ontstond een verwarde 2) vlucht.

Nu had Bhatara Ciwabuddha twee dochters, die door hem voor Raden Wijaya tot vrouw bestemd 3) waren. [20] Beiden waren door de lieden van Daha gevangen, doch van elkander geraakt, daar zij in verschillende richtingen waren gevlucht. Door den aanval van Raden Wijaya waren deT)aha-ers in verwarring4), 's Nachts maakten zij een vuur aan, dat hoog opvlamde. Daarbij werd de oudste3) der beide prinsessen -gevonden; Raden Wijaya kreeg haar in het oog en herkende haar0). Hij bevrijdde haar weer, en zeide toen tot Sora: „Wel, Sora'), val nog eens aan, opdat ook de jongste mijner jongere zusters gevonden worde". Sora zeide: „Geenszins, vorst, want de oudste is nu gevonden; en hoe weinig manschappen heeft u hier!" Raden Wijaya antwoordde: „Goed, om harentwille (?)" 8). Sora zeide daarop weer: „Heer, u moest u terugtrekken; het zou zeker zeer goed zijn nog eens een aanval te doen, zoo u er iets mede kon winnen, en misschien de jongste prinses vondt, maar als wij haar er niet aantreffen, zullen wij als witte mieren in 't vuur zijn gevlogen" 9).

De prins vluchtte daarop, de prinses in zijne armen dragende, en den geheelen nacht in noordelijke richting voortgaande, 's Morgens werd hij door den vijand [achtervolgd en ,0)] bezuiden Talaga pagër achterhaald. Om beurten bleven zijn

1) Zijne benedenkleedingstukkeu, nl. lancingan beduidt dit; giringsing is de soortnaam van patronen. — Rouiïaer vertaalt lancingan met strijdbroeken en teekent verder aan, dat giringsing het schub-patroon met stip in het midden is. n.vsft

2) In 'tJav. aridu, zie beneden taridu. — J. V. d.T. leest aridu awor, in verwarring.

3) In 't Jav. jaga.

4) J.: gevlucht, doordat door een aanval van Raden Wijaya de Dahaers zeer in verwarring geraakt waren.

5) Lees panuha.

6) J. raden yayi, titel.

7) Angungsëd werd niet vertaald, en uit den zin gelicht, omdat mij de beteekenis. onduidelijk is. Wellicht te lezen lah ta angungsëd, angamuk maneh. — P. angungsëd = trachten. — J. V. d. T. ungsëd = tui, najagen (Jav. aandringen met vragen).

8) J. sa-de-nira iku (V. d. ï. op sade), al wat je doen wilt. — P.: laat het maar; het Oud-Jav. sadenya iku.

9) J.: aanvliegen op het licht.

10) Ontbreekt in de eerste editie; aanvulling van J.

Sluiten