Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mannen achter om de lieden van Daha, vechtende, staande te houden. Gajah pagon kreeg een diepe, doorgaande sp'eerwond in zijn dij, doch hij kon nog loopen. Raden Wijaya zeide: „Gajah pagon, kunt gij loopen; als gij het niet kunt, zullen wij ons allen dood vechten". „Ik kan het, heer, maar slechts langzaam". De Daha-ers zetten den prins niet erg na, en keerden ten slotte naar Talaga pagër terug. Raden Wijaya dwaalde nu, als een boschkip, met zijne manschappen, die hem gevolgd waren, in-de wildernis rond; om beurten droegen dezen de prinses, tot zij ten laatste beraadslaagden ') en beredeneerden hoe de prins zou moeten handelen. Toen zij het eens waren geworden, vervoegden zij zich tot hem 2) en zeiden: „Heer, dit zouden wij u willen opmerken, welk einde zal het met u nemen, als gij zoo in dit bosch hier rond blijft zwerven? Volgens- onze meening zou het het beste zijn, zoo u oost-Madura kon bereiken; u moet naar Wiraraja vluchten, opdat u bij hem uw toevlucht zal kunnen nemen, want het is onmogelijk, dat hij met u niet begaan zal zijn; hij is toch juist door wjjlen uw vader een groot man geworden". De prins zeide: „Ja juist, als hij met mij begaan is, maar zoo hij dat niet is, dan leg ik er groote oneer mede in". Sora, Rangga lawe en Nambi stonden er op3), en zeiden als uit één mond: „Heer, waarom zou Wiraraja zich van u keeren?" 4). Daarom gaf de prins aan hun verzoek toe. Hij verliet de wildernis, en kwam te Pandakan, bij den'buyut daar, Macan kuping. (Daar) vroeg hij om een halfrijpe klapper; men wilde hem de melk ervan laten drinken °), (doch) toen men haar openmaakte, was zij vol witte gekookte rijst. Men stond verbaasd, en zeide: „Bijzonder vreemd, want jonge klappers met gekookte rijst er in, zijn er niet". Gajah pagon kon (nu) niet (meer) gaan; de prins zeide daarom: „Buyut van Pandakan, ik geef u een man in bewaring, Gajah pagon, die niet gaan kan; hij °) (blijve) bij u" '). De lieden van Pandakan zeiden: „Dat zal niet goed zijn, heer; hij mocht hier eens gevonden worden; er moet geen dienaar (van u) [21] te Pandakan zijn8); naar onze meening moet hij in een boschtuin verblijven, waar men boschgras aan het snijden is; in het midden kan daar een open ruimte worden gemaakt9) en daar kan voor hem een veldhuisje opgericht worden; daar kan hij

1) In 'tJav. abhawarasa. — J. V. d.T. abawarasa.

2) J.: zeiden zij gezamentlijk.

3) J.: volhoudende.

4) In 't Jav. palingaha. — J. V. d. T. apalinga = tanpatutur, zonder denken, en dit = krëtaghna, ondankbaar, cetana (lupa). Of te lezen palinga, van paling - Jav. pangling.

5) J.: hij wilde de melk ervan drinken. — P.: hij kreeg (er een) en dronk de melk ervan-

6) In 'tJav. didine. — J. V. d. T. dininya, hier vertaald met: opdat. Vgl. echter didinipun 21:1; wel beter: hij. Is wel Balineesch; Jav. stellig didi. Leg. didine wontën? Er bestaat evenwel ook didiningêun, ik alleen; didinya vnw. 2de pers.

7) J.: hij zij op u (voor uwe verantwoording).

8) In 't Jav. samering Pandakan. — J.: hoe zouden wij (ik en al wat behoort onder P.) aanwezig zijn ? (er bleef niemand van ons over). Mogelijk ontbreekt „die overblijft". Of is voor ingucap te lezen angucap, er zal wel niemand spreken ? Vgl. kawula Madura, 22:6 enz,

9) In 't Jav. binëngang ing tëngah. Bengang is volgens Dr. v. d. Tuuk ruimte tusschen bewoonde plaatsen, niet met huizen bezet, open ruimte. — J.: in 't midden opengemaakt. -

Sluiten