Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de eenzaamheid gaan zitten, zonder dat iemand het merkt, en van Pandakan kan men hem iederen dag zijn eten brengen". Gajah pagon bleef achter. Raden Wijaya ging daarop naar Datar, 's nachts reizende '). Te Patar ging hij scheep.

De troepen van Daha keerden weer naar huis. De jongste der beide prinsessen bleef gevangen, en werd naar Daha gebracht en aan Aji Jaya katong overgegeven. Deze vernam met vreugde den dood van Bhatara Ciwabuddha.

Raden Wijaya bereikte den overwal in het noorden (de zuidkust van Madura), ging aan den wal, en werd door den nacht overvallen op een sawah ergens op de grens van Sungënëb. Hij overnachtte daarom op die sawah, die men.aan het bewerken was 2), pas geëgd had, en die met smalle dijkjes voorzien was. Sora ging voorover op zijn buik liggen, en de prins en de prinses zaten boven op hem. Den volgenden morgen-ging hij door naar Sungënëb, waar hij bij de groote bale zijn gang staakte. Hij,zond iemand om te zien of Wiraraja buiten zat. Deze kwam spoedig terug, want Wiraraja zat buiten. Daarop ging de prins naar de paseban. Wiraraja zag den prins dadelijk, toen hij ter plaatse kwam, schrok, verliet de paseban, en ging in huis, waardoor de audiëntie, die hij gaf, een einde nam 3). Raden Wijaya ontstelde, en zeide tot Sora en Rangga lawe: „Wat heb ik gezegd, ik leg er groote oneer mede in; had ik -het toch toen maar liever met den dood in den strijd betaald". Daarop ging hij (weer) naar de groote bale, maar het einde was, dat Wiraraja met zijne echtgenoote 4) en verdere huisgenooten gezamentlijk 5) tot hem kwamen, om hem betel aan te bieden. Rangga lawe zeide (toen) tot den prins: „Neen, heer, het loopt geheel anders; daar komt Wiraraja integendeel0) tot u". Daarover verheugde de prins zich (zeer). De echtgenoote van Wiraraja bood der prinses, en Wiraraja (zelf) den prins sirih aan. Wiraraja verzocht hem zijn verblijf te komen nemen in de regentswoning. De prinses steeg op den wagen, terwijl Wiraraja's echtgenooten haar te voet begeleidden; Wiraraja deed dit den prins. In de regentswoning logeerden zij in Wiraraja's eigen slaapvertrek. Raden Wijaya •) vertelde aan Wiraraja, toen deze bij hem in de tweede poort kwam, op welke wijze de vorst, die' onder palmwijn drinken het leven liet, gestorven was, en hoe hij zelf tegen de troepen van Daha gevochten had. Wiraraja vroeg hem: „En wat wil u nu, prins?" Raden Wijaya antwoordde: „Ik verzoek u, als gij het goed vindt, hier bij u te mogen blijven"8). Wiraraja zeide: „Maak u maar niet ongerust,

1) J. V. d. T. mamëngi*, in 't geheim.

2) In 'tJav. lalahan. — J. voor bezaaiing gereed gemaakt.

3) J. aluwaran, uiteengaan van velen. Zij, die seba en die sineba gingen uiteen. Enkel van meerderen, gelijk bubar van één persoon.

4) In 't Jav. pinatih. Deze vorm wordt voor de vrouw van den patih of van een adipati bij voorkeur gebruikt; en het Ken Pinatih (van GSrsik) is dan ook geen eigennaam.

5) In 't Jav. arantaban.

6) J.: nu. Of: is dat niet Wiraraja, die, enz. — Dr. H. Djajadiningrat (stelling proefschrift, 1913) vertaalt: Heer, komt daar nu niet W, zijn opwachting maken?

7) Men leze reg. 26 raden Wijaya in nl. van raden Wiraraja.

8) J. eigenlijk: dat gij borg zijt voor mij.

?-* 7

Sluiten