Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kappen had- (medegenomen), eenige -) ma/a-vruchten eten; zij waren hem te bitter, en hij wierp alle maja's van de sooét;2), die hij gezocht hadj weg. Het werd bekend, dat (daar) md/a-vruchten waren, die zeer bitter smaakten, en inderdaad (daarom) is (die plaats) Majapahit genoemd.

De prins had den toestand in Daha nagegaan, en Majapahit zag er reeds als een desa uit. De lieden van Wiraraja gingen druk naar Daha en verbleven te Majapahit. Wiraraja raadde (daarop) den prins, hoe hij het aan Aji (Jaya) katong moest vragen om heen te mogen gaan. Hij vroeg te Majapahit te mogen gaan wonen. Aji (Jaya) katong vond het goed, verleid door zijne genegenheid en de voortreffelijke wijze, waarop de prins hem had weten te dienen, als meende hij het oprecht. Nauwelijks te Majapahit gekomen, gaf de prins Wiraraja er kennis van, dat hij en zijn mannen tegen de mantri's van Daha opgewassen waren. Hij noodigde Wiraröja uit tegen Daha op te trekken. Wiraraja hield het nog wat tegen 3) en zeide [tot den bode 4)]: „Niet te haastig 5), ik heb nog een plan. Zeg gij, panga* lasan, den vorst, dat ik bevriend ben met den koning van Tatar; ik zal (hem zeggen, dat ik) voor hem de prinsessen buit zal maken. Ga gij, pangalasan^ dadelijk naar Majapahit terug. Na uw vertrek zal ik naar Tatar schrijven, want er is (hier) juist een schip van daar, dat hier handel is komen drijven. Een schip van mijzelf zal ik naar Tatar laten mede gaan, om den vorst uit te noodigen tegen Daha te velde -te trekken. Als de vorst van Daha verslagen zal zijn, dan zullen de schoone prinsessen van Tumapël, die op het geheele eiland Jawa haars gelijken niet hebben, het eigendom verklaard worden van den vorst van Tatar 0); zoo zal ik dien vorst vangen '). Zeg gij aan den vorst, dat hij zich {dan bij hem) moet aansluiten 8) om Daha mede ten onder te brengen". De pangalasan keerde naar Majapahit terug. Raden Wijaya was verheugd over hetgeen Wiraraja aanbevolen had. Na het vertrek van den pangalasdn zond Wiraraja iemand naar Tatar. Zelf verhuisde hij met geheel zijn huisgezin naar Majapahit, van Madura medenemende wat tot den strijd noodig zou zijn, alle bruikbare Madureezen, en de noodige wapenen.

Toen de gezanten (met de troepen) van Tatar gekomen waren, viel men Daha aan. De troepen uit Tatar trokken van het noorden op, die van Madura en van Majapahit van den oostkant.

Aji (Jaya) katong geraakte in de war, en wist niet waar hij het meest voor waken moest. In het noorden had hij het hard te verantwoorden 9) tegen de

1) J. schrapt „eenige".

2) J. schrapt „van de soort".

3) In 'tJav. anayuli. — J. 1 tegenhouden 2 medegaan.

4) In de eerste editie uitgevallen. Aanv. P.

5) In 't Jav. gëru. — J. Jav. Wdb. dial. = enggal; V. d. ï. alleen deze plaats.

6) In 't Jav. irika akua ring ratu Tatar.

7) J.: binden.

8) J.: dat hij moet gehoorzamen om zich aan te sluiten.

9) J. Van der Tuuk bij bot = buvoat: binotan ing musuh.

Sluiten