Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Majapahit werd gesticht, en dat in de nabijheid daarvan een door den vorst van China uitgeruste expeditie op Java voet aan wal zette, en medehielp Daha (weer) ten onder te brengen; ook meldt het ons welke lotgevallen Raden Wijaya nog had te doorleven, vóór hij naar Madura, van waar uit hij zijne operaties tegen Jaya katong begon, ontkomen kon.

In de aanteekening bij het vorige hoofdstuk werd er reeds op gewezen, dat van deze lotgevallen ook gewaagd wordt in de oorkonde van Qaka 1216. Met een enkel woord werd er verder aan herinnerd, dat er in 1293 A.D. = 1215 Qaka, werkelijk een Chineesche expeditie op Java landde.

Hieronder volgt nu in de eerste plaats het gedeelte van die oorkonde, dat hier van belang is, nl. plaat i—vi '), waarachter ongelukkig een stuk ontbreekt; daarop een verslag over die Chineesche expeditie, en dan wat er over de stichting en den ouderdom van Majapahit in het algemeen op te merken valt.

Terwijl de koperen platen zelf verloren zijn, althans nog niet zijn teruggevonden, heeft het een heelen tijd moeten duren, vóór men van deze interessante oorkonde, die + 1780 A.D. reeds gevonden werd, iets meer te weten kwam, en werkelijk maken kon.

Gevonden op den gunung Butak, in het district Surabaya, omstreeks het genoemde jaar, — zooals blijkt uit eene aanteekening bij een afteekening van het grootste gedeelte dezer platen, aangetroffen in een kist behoorende tot de nalatenschap van Mr. S. I. E. Rau, die' aan de Leidsche Rijksuniversiteits-bibliotheek geschonken werd 2), — en nadat er reeds in 1816 door Raffles een transcriptie met latijnsche letter werd uitgegeven van hetgeen op twee der platen te vinden was (plaat III en VI), in zijn „Copies of two of the ancient inscriptions on copper plates dug up in the vicinity of Surabaya, rendered from the ancient Kawi character into the Roman" 3), Verh. Bat. Gen. VIII (1816), en Raffles daarop in 1817 ook nog een facsimile plaatste in zijn History of Java, van plaat I, kon eerst in 1886 door het vinden van een afschrift van plaat II in een bundel van den Sultan van Sumënëp, in de verzamelingen van het Bat. Gen., „Toelisan boeda darie Soeltan Soemënëp", Jav. Hss. B. G. 42, aan het licht worden gebracht, dat deze fragmenten bijeenbehoorden, zie Not. B. G. XXIV (1886), bl. 46. Toen men daarmede een belangrijk eind gevorderd was tot de juiste waardeering dier restanten, op wier

1) De rest der inscriptie is gepubliceerd in O. J. O. no. LXXXI.

2) Die aanteekening luidt: „Dit Handschrift, zoo verre hetzelve met zwarte inkt is vervaardigd, is eene copie van zoo veele kooperen gegraveerde plaaten, lang ruym 1 (?) voet, breed 7 a 8 duymen, welke plaaten gevonden zijn omstreeks den Jaare 1780 op den Goenoeng Boetak (of blinden berg) in het district Soerabaya. Dezelve zijn in 1782 en 1783 op Sala bij den keyser en Sultan bij de Priesters en alomme elders rondgezonden, welke allen verklaarden 't zelve oud-Javaans schrift te zijn, hetzelve wel te kunnen leezen, en ook in het tegenwoordige Javaansche schrift overbrengen, gelijk ook vervolgens door deskundige met Roode,n inkt de Letters in modern Javaansch zijn overgèsteld; doch allen betuygden het voor zoo oud-Javaans te houden dat het door niemand konde verstaan worden".

3) Plaat 3 heet daar verkeerdelijk 5, wellicht slechts ten gevolge van een abuis.

Sluiten