Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sangkhya-leer, de weleerwaarde leeraar Anggaraksa; de samgat i jambi, die in de Nyêya-leer volledig thuis is, de weleerwaarde leeraar Rudra; de rakryan juru Kêrtanagara, die de moeielijkheden van het goede beleid weet op te lossen; Mijnheere van de padlëgan de dhyaksa voor de Qiwaieten, genaamd de- weleerwaarde leeraar Agraja; (en) Mijnheere van de padlëgan, de dhyaksa voor de Buddhisten, die volleerd is in de leer der Buddhisten en de weleerwaarde leeraar Ginantaka heet.

Het afkomend bevel van Zijne Majesteit den koning verordineert voor het gehucht Kudadu, dat een deel uitmaakt van het heilige rechtsgebied van Klëme, een koninklijk besluit te maken, voorzien van het zegel van Kërtarajasa Jayawardhana, op steen en op koper, en te bewaren door de dorpshoofden van Kudadu, dat vast zal stellen, den vrijdom van het gehucht Kudadu, daar het door Zijne Majesteit den koning tot een vrijgebied wordt gemaakt, met al zijne hooge en lage velden, zijne bergen en dalen, en ophouden zal deel uit te maken van het heilige rechtsgebied van Klëme, ten bate van het dorpshoofd van Kudadu, erfelijk (ook) te genieten door zijne kinderen en kindskinderen, voor nu en later tot in lengte van dagen.

De aanleiding er toe was het gedrag van het dorpshoofd van Kudadu, dat indertijd Zijne Majesteit den koning zorgvuldig een schuilplaats verleende, toen deze nog geen koning was en nog Nararya Sanggramawijaya heette, bij gelegenheid, dat hij in ongelegenheid in het gehucht Kudadu werd gevoerd, door den vijand vervolgd en nagezet, onder de navolgende omstandigheden:

Zijne Majesteit de toenmalige koning, Z. M. Kêrtanagara, die te Ciwabuddhalaya het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, werd indertijd aangevallen door Zijne Majesteit Jaya katyëng ') van Gëlanggëlang.2), die als vijand optredende, lltSgen deed beneden zijne waardigheid, zijn vriend verraadde en tegen zijne overeenkomst in handelde, uit begeerte Zijne Majesteit Kêrtanagara, die in het rijk Tumapël zetelde, ten onder te brengen. Toen het bekend werd dat er een leger van Zijne Majesteit Jaya katyëng tot Jasun wungkal was gekomen, toén zond Zijne Majesteit Kêrtanagara Zijne Majesteit den (tegenwoordigen) koning en Ardharaja tegen de troepen van Zijne Majesteit Jaya katyëng. Ardharaja en Zijne Majesteit de koning waren beiden schoonzoons van Zijne Majesteit Kêrtanagara, maar Ardharaja was tevens, zooals men weet, een zoon van Zijne Majesteit Jaya

1) Dat met dit Katjreng Katong is bedoeld, werd door Prof. Kern aangetoond in Bijdr. T. L. Vk. van Ned. Ind., 5: IV (1889), bl.291 (Regelen van klankverbinding in 'tOud-Javaansch).— Herdrukt in Verspr. Gesehr. IX p. 6 sq. De Nag. geeft, zooals wij zagen, Katwang.

2) Zóoals de Heer Rouffaer mij indertijd deed opmerken, vindt men dezen naam naar alle waarschijnlijkheid terug op de kaart in de Jonge's Opkomst, enz., VII (1873), waar men, bewesten den Wilis, een „Egginglangh, een geweesen koninckrijck nu woest".vindt. — Blijkens de inscriptie van Kandangan, besproken door Van Stein Callenfels in Tijdschr. Bat. Gen. 58 (1918) p. 343—346, moet Jayakatwang's hoofdstad het tegenwoordige Këdiri zijn geweest en kan zij niet in Madioen gelegen hebben.

Sluiten