Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdrietig en bedroefd, en wanhopende aan zijn leven, bij het volk van Kudadu. De ramp, die Zijne Majesteit trof, was buitengemeen groot, maar toen hij bij het dorpshoofd van Kudadu kwam, was dat dorpshoofd zeer heusch en medelijdend in zijn ontvangst, zooals bleek uit het aandragen van eten^en drinken en van rijst, en hij gaf Zijne Majesteit een schuilplaats, er op uit Zijner Majesteits doel te bereiken, dat, deze niet gevonden mocht worden, als de vijand hem zou zoeken, terwijl hij hem ten slotte den weg wees en begeleidde tot aan het gebied van Rembang, opdat Zijne Majesteit, zooals hij wenschte, (van daar) naar Madura zou ontkomen.

Zoo werd Zijne Majesteit indertijd, in ongelegenheid, naar Kudadu gebracht, en gedroeg zich het dorpshoofd van daar zeer heusch en medelijdend in zijn ontvangst van den vorst, en dit heeft Zijne Majesteit zeer dankbaar gestemd.

Zijne Majesteit is (daarna) koning geworden en dus en de beschermer der wereld, en hij moet dus noodzakelijk (het ondervondene) vergelden, en een genoegen doen aan hem, die hem eens aangenaam stemde, en daarom dan ook ontvangt het dorpshoofd van Kudadu van Zijne Majesteit een schoon genadeblijk: (Kudadu) zij van wege Zijne Majesteit, zoo uitgestrekt als het is, met al zijne hooge en lage velden, bergen en dalen, tot een zelfstandig vrij rechtsgebied, met een beeld, verklaard, ten bate van het dorpshoofd van Kudadu, erfelijk (ook) te genieten door zijne kinderen en kindskinderen, tot in lengte van dagen; men begrijpe het wel, het gehucht Kudadu houdt op een deel uit te maken van het heilige rechtsgebied van Klëme, voortaan mag dit er zich niet meer mede bemoeien, want Zijne Majesteit heeft het tot een zelfstandig rechtsgebied gemaakt, met een beeld er op.

En wat het nu betreft dat Zijne Majesteit zich verstout een deel te ontnemen aan het heilige rechtsgebied van Klëme, nl. het gehucht Kudadu, ten voordeele van het dorpshoofd van Kudadu, (wete men), dat Zijne Majesteit Jaya katyëng, toen hij Zijne Majesteit Kêrtanagara gedood had, in vertrouwen op zijn rijk Daha, gezegd heeft, zooals algemeen over geheel het eiland Yawa bekend is geworden, (Het vervolg ontbreekt.)

Het is wel niet te veel gezegd, als men beweert, dat hetgeen deze oorkonde, tegen wier echtheid bezwaarlijk argumenten in het midden zullen kunnen worden gebracht, ons verhaalt, aan dit en het vorige hoofdstuk van de Pararaton, ten minste gedeeltelijk, een heel reliëf geeft. Bij alle op te merken verschil treedt de overeenkomst zoo op den voorgrond, dat er niet aan getwijfeld worden kan of beiden, èn de oorkonde èn de Pararaton, geven een verslag van dezelfde feiten, en reeds dit dwingt ons tegelijkertijd te erkennen, dat er in de Pararaton iets meer wordt aangetroffen dan vertelseltjes alleen.

Gaat men het in bijzonderheden na, dan ziet men in de eerste plaats, dat Raden Wijaya inderdaad gehuwd is geweest met de dochter of dochters ') van

1) Volgens Nag. 45 :2 en 46:1 waren het er vier.

Sluiten