Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kêrtanagara, die vorst van Tumapël was, en dat dat rijk niet lang vóór 1216 Caka door Jaya katong van Daha veroverd werd. Men vindt er de verklaring van Kërtanagara's anderen naam Ciwabuddha. Het blijkt ook, dat Raden Wijaya (in de oorkonde Nararya Sanggramawijaya) Jaya katong weer versloeg, en daarna koning werd, terwijl ook hier de term prabhu is. En er is nog meer. In de loftuitingen (de titels) aan Raden Wijaya, als Jsoning. gegeven, wordt niet vergeten te vermelden, dat hij van een met Narasingha, of een Narasingha, in verband staand geslacht voortsproot, wat in herinnering brengt hetgeen Hoofdstuk IV en V van de Pararaton reeds mededeelden, nl. dat Raden Wijaya een zoon was van Mahisa Campaka, die ook Bhatara Narasingha heette x). Men vindt er Wiraraja terug, en in een positie, als hem ook volgens *de Pararaton toekomen zou, zelfs geprezen op eene wijze, die ons als van zelf zijne verrichtingen en handelwijze voor den geest roepen, zooals deze in dat boek beschreven zijn.

Vergelijkt men het verslag van Raden Wijaya's zwerftocht in de oorkonde, met hetgeen er in den tekst hierboven van staat, dan ziet men dat dit laatste slechts een flauwe weerspiegeling is van het in het officieele stuk medegedeelde. Het heet er, dat hij van Talaga pagër naar Pandakan gaat, daar door den buyut geholpen wordt, en van daar over Datar het strand weet te bereiken, om naar Sungënëb te ontkomen. In de oorkonde vindt men achtereenvolgens de namen Jasun wungkal, Tumapël, Këdung plut,, Lëmbah, Batang, Kapulungan, Rabut carat, Haniru, nogmaals Kapulungan en Rabut carat, Pamwatan apajëg(P), Trung (waar hij niet komt), Kulawan, Këmbang cri, de Bangawan, Kudadu op het gebied van Klëme, en Rëmbang (nl. het Pasuruhansche)2).

Evenmin vindt men in de oorkonde de andere persoonsnamen van de Pararaton terug, dan de reeds genoemden, doch hier kan geenszins tevens worden gezegd, dat de verder nog voorhandenen althans niet gedeeltelijk dezelfde j>ersonen aanduiden. Geeft die Pararaton nog: Raganatha, Këbo tëngah == Aragani, Banak kapuk, Rangga lawe, Pëdang, Sora,^ Dangdi, Gajah pagon, Nambi (zoon van Wiraraja), Pëtëng, Wirot, en Macan kuping, in de oorkonde zijn genoemd: dyah Pamasi, dyah Singlar, dyah Palisir, Pranaraja3), Nayapati, Arya Adikara, een kanuruhan, een dëmang (= dëmung), een patih, Paragata, Anggaraksa, Rudra, Kêrtanagara (een ander dan de vorst van dien naam), Agraja, Ginantaka, Wuru agraja, en het dorpshoofd van Kudadu 4). Dit zegt echter niets. De in de

1) De juiste verhouding blijkt uit Nag. 46:2 en 47:1. Narasinghamürti had tot zoon Lëmbu Tal, bijgezet te Mirëng en daar als Buddhistisch beeld voorgesteld, en deze Lëmbu Tal was de vader van Wijaya.

2) Enkele dezer plaatsen worden ook in den Nag. vermeld, naar aanleiding van Hayam Wuruk's reis door den Oosthoek; Pagër Talaga, Pandakan, Kapulungan en Këdung pëluk (het gedicht geeft pëluk en niet pëlut en klaarblijkelijk is die eerste vorm de juiste, daar de plaats nog thans zoo heet). Vgl. p. 271 en 282 der editie.

3) Pranaraja heet in de Pararaton de patih ónder Tohjaya, zie Hoofdstuk III.

4) Op blad 8a en 11a vindt men deze namen gedeeltelijk nog eens, nl. 8a Pranaraja,

Sluiten