Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koning van Java zwaar beleedigd, en wel op eene wijze, dat die beleediging ook Aen keizer* zelf gold, en daarom zond deze in den aanvang van het jaar 1292 (= Qaka 1214) eene expeditie van 20.000 man onder de drie reeds genoemde bevelhebbers naar het eiland om die beleediging te wreken. Wat er verder bericht wordt, is het navolgende.

Zij kregen bevel duidelijk te laten uitkojnen, dat zij gezonden waren om de Javanen voor het gebeurde te straffen, en bereikten Java in het begin van 1293 (== Qaka 1215). Hoe de reis gemaakt werd, doet niets ter zake. Bij het eiland Eolan (Belitung) ') gekomen, maakten zij hun krijgsplan op. Ike Mese ging met 500 man en 10 schepen Vooruit, doch werd later door de overige troepen, die over Karimon (Karimon Java)2) naar Tupingtsuh (Tuban) 3) stevenden, bij de laatste plaats weer ingehaald, of had hen daar afgewacht. Men kwam toen tot een ander plan. Er werd nader besloten, dat de eene helft den tocht nog oostelijker over zee zou voortzetten, en de andere direot landen. Nu ging Shih-pi over zee, tot aan den mond van de rivier Sugalu (Sëdayu)4), en Ike Mese met Kau Hsing aan den wal. Van Sugalu uit zond Shih-pi drie hoofdofficieren naar de „floating bridge" van Majapahit 5), om de boodschap van den keizer over te brengen, en met het bevel om zich, na zich van hun taak gekweten te hebben,i weer bij de troepen te voegen, die onderwijl zouden voorttrekken naar de kleine rivier Pa-tsieh (Kali mas) °), waarheen over land ook de andere helft van de expeditie, bereden troepen en voetvolk, zou tijgen.

De vooruitgezonden officieren komen spoedig bij Shih-pi terug, met het bericht, dat de schoonzoon van den vorst van Java, Tuhan Pijaya, zich wilde onderwerpen, maar zijn leger niet verlaten kon, omdat hij in oorlog was met den

kennis van zijn optreden te geven; men zie echter nog beneden, en vergl. over de quaestie van het begin zijner regeering, behalve de noot op bl. 21 (147) der Notes, von Fries, Abriss der Geschichte China's seit seiner Entstehung, 1884, bl. 240. — Blijkens de door Kramp in Album Kern (1903) p. 359 bekend gemaakte gegevens, begonnen de gezantschappen inderdaad in 1280 (Q, 1202), en moet de zending van Meng K'i in ongeveer 1289 (C. 1211) gesteld worden.

1) In plaats van Kolan te lezen [p] Keou-Ian; transcriptie van het Mongoolscbe tijdperk *Gu-lan *= Gëlam. Bedoeld is het eiland van dien naam, gelegen nabij Tg. Sambar, Z.-W.-Borneo. Voor deze identificatie verg. Rockhill, Notes on the relations and trade of China enz., T'oung Pao 16 (1915) p. 261. Aanteekening van M. Gabriel Ferrand. • 2) 5fH) Ki-li-men (*Gi-ri-men = Karimon Java). F.

3) ^fc wf. 5; Tu-pin tsu, lett. de voet van Tu-pih(*Du-bih), onregelmatige transcriptie van Tuban. F.

4) De Chineesche tekst heeft Jj^j ^f" ]ʧ Su-ya-lu, foutieve lezing voor ^ jj5§ Jon-ya-lu, d. i. Jëngala. Het Sëdayu van Groeneveldt is een zeer gewaagde gissing. F.

5) De naam duidelijk, ook elders in deze vier stukken, genoemd.

6) In den Chineeschen tekst Pa-tsieh kan, door den Heer Groeneveldt geidentifleerd met Pacëkan (Patjekan) bezuiden Surabaya, dat voorkomt in het Aardrijksk. en Stat. Wdb. (1869). Ook de overige hier tusschen haakjes voorkomende gelijkstellingen zijn-Van hem afkomstig.— /V Jljl *}Bfj Pa-tsie kan, de stroom van Pa-tsie (*Ba dzie). F.

8

Sluiten