Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien bevelhebber als reserve tot Changku Ook Kau Hsing trekt naar Majapahit, maar blijft daar niet. Hij gaat weer naar Patsieh terug, als hij verneemt, dat men niet weet, of de troepen van Kalang nog ver weg, dan wel reeds-dicht bij zijn, doch hij krijgt straks van Ike Mese weer bevel om toch weer naar Majapahit te komen, daar men den vijand dien nacht kon verwachten. Spoedig daarop naderen de troepen van Kalang van drie zijden, en den daarop volgenden dag verslaat Kau Hsing de colonne, die haar aanval deed uit het zuidoosten, en daarna ook nog die welke uit het zuidwesten kwamen, maar door Ike Mese te vergeefs gezocht waren. Acht dagen later trekt men, na zich in drie corpsen verdeeld te hebben, tegen Kalang op, met de afspraak om op den vierden dag daarna elkander te Taha (Daha) 2) te vinden, en dan gelijktijdig op een afgesproken sein, den aanval te doen. Een gedeelte der troepen volgde den loop der rivier. Ike Mese trok om de oost en Kau Hsing om de west, terwijl Tuhan Pijaya hen met zijne troepen in den rug volgde. Na een hardnekkige verdediging wordt op den bepaalden dag Taha genomen, de kraton, waarin de vorst, Haji Katang, zich teruggetrokken had, omsingeld, en deze gemaand om zich over te geven, hetgeen geschiedt. Een veertien dagen daarna overvalt Tuhan Pijaya een-escorte, dat hem naar Majapahit brengen zou, om daar de schatting in ontvangst te nemen, na zijnen begeleiders eerst steels ontgaan te zijn, en weer een drie weken later verlaat de expeditie Java weer, medevoerende, zooals er staat, de kinderen en officieren van Haji Katang 3), meer dan 100 personen, een kaart van het land en een bevolkingsstaat 4), en een met gouden letters geschreven brief, die door den koning was aangeboden. Tuhan Pijaya had nl. ook van andere gelegenheden gebruik gemaakt om de Chineesche troepen nog verder te overvallen; zoo kon hij ze van elkander scheiden en leden zij groote verliezen 5).

1) Door den Heer Groeneveldt vereenzelvigd met Cangkir, zie de noot op bl. 48 (174) der Notes. Dat het het Canggu van den Javaanschen tekst moet zijn is duidelijk, men zie nog beneden. — ip; |fjj^ Can-ku (Jan-ku, Jan-ko). F.

2) -n* Ta"ha (*D**a). F.

3) Een zoon van dezen, Silah-pat-ti-Sih-lah-tan-puh-hah geheeten, en Haji Katang zelf werden volgens het bericht over Kau Hsing, door de Chineezen voor hun vertrek gedood, bl. 28 (153). De Heer Groeneveldt merkte mij op, dat het lah in Si-Iah-pat-ti bezwaarlijk aan na in 'tJav. zou kunnen beantwoorden. Senapati kan er dus niet in schuilen. Mogelijk zou het kunnen zijn sirdpatih (?). Omtrent Sih-lah-tan-puh-hah durf ik nog geen gissing te wagen. — Er staat ^ /\ $J ^ ^j] jfy Jfi ^ Si-la pa-ti si-la tan-pu-ha. Mogelijk zijn er twee zoons bedoeld, Si-la pa-ti (*Sira badi = sira patih) en Si-la tan-pu-ha (*Sira dan-bu-ha). Dit laatste is de naam van den gevangen genomen prins; is het één en dezelfde, dan moet Si-la pa-ti diens titel zijn. F,

4) Deze kaart en deze staat zouden die kunnen zijn, welke, zie boven, volgens het bericht over Shih-pi, Tuhan Pijaya aan dien bevelhebber had gezonden.

5) Zie het bericht over Shih-pi, bl. 26 (152). Elders in de Notes, op bl. 47 (172 volgg.), vindt men als een bijzonderheid omtrent deze expeditie nog het navolgende medegedeeld, dat niet voorkomt in de hier weergegeven verslagen. Men leest daar: Tuban is the native name

of a place with somewhat more than a thousand families, all under one chief; On the

seashore is a small pond with fresh, potable water, which is called the Holy water. It is

Sluiten