Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

yan hinanakën denira. En over het algemeen kan men zeggen, dat de kortgevatte stijl, men zie bijv. het einde van de pragdsti, èn voor den ouden tijd èn voor het oud-Javaansch zeer vreemd is.

Fouten van een anderen aard zijn: sunggang voor sungka, dara voor déra^ pangkur tirit voor pangkur tawan tirip; pati voor patih; cëmpa voor campa; katangaran voor katanggaran; këpung voor tèpung; wapd voor wipati; adyun voor angdyun; kasamburat ing natar voor kasawur ing natar; mindah voor indah; jwah tasmat voor jah tasmat; karëmaknanya voor karmaknanya; saddhdna voor sddhana.

De datum is niet in orde. De vollemaansdag aangeduid met tithi pahcadagi trekt de aandacht, en deze tithi treft niet samen met een karana Bdlawa, daar de eerste helft van dien dag Wisti en de tweede Bawa is. Ba moet zijn d, en de wuku was, in plaats van Manahil, Prangbakat '). Parwwosa moet zijn parwwega, en bago deugt niet, evenmin als piwdgyd goed kan zijn. Ook bevat hij voor een zóó ouden tijd te veel termen, en daaronder die men in de opschriften eerst zooveel later gebruikt ziet2).

De datum is ook niet in overeenstemming met de in het stuk voorkomende vorstelijke namen.

In het begin van 't stuk wordt een andere, eigentlijk geen, koningsnaam gegeven dan in het eind. Vindt men achterin cri mahdrdja Dharmmodaya Mahdsambhü, vóórin heet het cri mahdrdja gri lokapala (wat geen eigennaam 3) is, ook al wil het stuk het ons iets later doen gelooven) hariwanggotunggadewa, d. i. Z. M. de koning, Z. M. de vorst, de oppervorst uit Hari's geslacht, en dit gevolgd door ndmardjdbhiseka, onder dien naam tot koning gezalfd.

Niet minder fraai is de opsomming van de namen der hooge ambtenaren, die hier den vorst dulur. Vindt men, almede in het eind, mwang mahdmantri dqk§otama, bahubajra, pratipaksasanggaya, wat zijn moet mwang mahdmantri daksotamabahubajrapratipaksaksaya, en de naam is van één persoon, die indertijd ook mantri hino (mahdmantri i hino) was 4), vóórin vindt men dezen naam en dien titel in stukken geknipt en bij gedeelten als namen aan drie personen toegekend; men leest daar mahdtnantri katrini, rakryan mantri hino, daksotama (één stuk), rakryan mantri halu, pratipaksdsanggdya (!) (derde stuk), rakryan mantri sirikan, mahdmdhino (een verknoeiing van mahdmantri i hino, stuk van 's mans titel). Het kan haast niet fraaier, althans niet als men daarbij in het oog heeft, dat de hier bedoelde personen Dharmodaya Mah&cambhu en Daksottamabahubajrapratipaksaksaya, voorkomen in verschillende oorkonden, maar dan ook gaaf, die minstens een 60 a 70 jaren jonger zijn dan de hier behandelde zich voordoet5).

1) Hierop wees Cohen Stuart reeds.

2) Zie mijne opmerking in Groeneveldt's Catalogus.

3) Verg. echter Kern, Verspr. Geschr. VII (1917), bl. 92.

4) Het is voldoende hier te verwijzen naar het reeds opgemerkte in Groeneveldt's Catalogus, bl. 358 en 359.

5) Zie t. a. p.

Sluiten