Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en waarachter iets prijkt wat men den titel van het stuk zou kunnen noemen, iti prasasti ring kuti, pariaamapta tlasinurat, ring majhapahit.

Wie na deze uiteenzetting het stuk zelf nog eens beziet, zal tot de conclusie moeten komen, dat al werd er hier reeds op veel gewezen, nog geenszins alles is genoemd, wat in deze pragdsti, althans haar plaatsende in den tijd, waaruit zij naar hare eigen mededeeling moet dagteekenen, gisping zou verdienen. Het stuk is, zooals reeds werd gezegd, voos, tot in de hoogste mate, kan zooals het daar ligt, onmogelijk afkomstig zijn uit 762 Qaka, en dient dus als een onecht stuk gebrandmerkt te worden.

Terwijl dit hier dan ook nogmaals geschiedt'), kan het ter voorkoming van verkeerde opvattingen evenwel zijn nut hebben er op te wijzen, dat het mogelijk is, dat men hij het vervaardigen er van gebruik maakte van een of meer oudere oorkonden. Dit is zelfs zonder twijfel gebeurd, want hoe zou men anders aan die namen zijn gekomen, maar hetgeen er werd overgenomen, werd zoo verknoeid, dat men, als men niet wist wat er werkelijk staan moet, dat ook niet ontdekken zou. In de uiteenzetting werden daarvoor de voorbeelden reeds gegeven, maar er werd tevens ook reeds op gewezen, dat de vervaardiging er van moet hebben plaats gehad in het latere gedeelte van den Majapahitschen tijd, daaronder nl. verstaande wat ik als zoodanig reeds elders daarvoor aangaf, de periode van Qaka 1200—1400, doch als men de opgesomde reeks van fouten nagaat, en deze bijv. eens controleert met wat n°. IV van Oohen Stuart's Kawi Oorkonden (uit Qaka 1316, 1317 en 1318) te zien geeft, dan zal men moeten toegeven, dat, al is wat men daar ziet een geheel andere taal dan die van n°. II, het opgelezene, dat voorkomt in een kader, waarin het niet behoort 2), juist passen zou in eene taal als die van n°. IV is, terwijl de fouten van anderen aard het weer duidelijk in 't licht stellen, dat n°. II niet is een oorkonde van oudere dagteekening, slechts in een zooveel lateren tijd gecopieerd, maar wel een soort van later maakwerk van de alleronbeholpenste soort.

- Voor het doel, waarmede hier zoo uitvoerig reeds bij deze oorkonde werd stil gestaan, is het volstrekt niet noodig om ook een onderzoek in te stellen naar de reden, die tot de vervaardiging van het stuk aanleiding zou kunnen hebben gegeven. Ook al zou het nooit blijken uit wat drijfveer men er toe gekomen is het stuk te maken, (en het is zeer waarschijnlijk dat dat nooit gelukken zal), met het aantoonen van de grove onwaarheid, die in het stuk schuilt, en de tevens mogelijk gebleken bepaling van ongeveer den tijd waaruit het stuk wel kan zijn,

1) Men zie bijv. Not. Bat. Gen. XXIV (1886), bl.43; Groeneveldt's Catalogus bi. 358, en mijn Jayapattra (Tijdschr. Bat. Gen. 32, 1889).

2) Wat het kader eênigszins had moeten zijn, kan men opmaken uit hetgeen in mijn Jayapattra opgemerkt werd over de taal der prac&stës van Mpu Sindok; aan dezen vorst gingen Mpu Daksottamabahubajrapratipaksaksaya en Mahacambhu vooraf, en dan zou men, daar deze laatste ons reeds een goed eind in de 9e Caka-eeuw voert, ongeveer nog een halve eeuw terug moeten gaan.

Sluiten