Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer oudere Javaansche verhalen Tan deze soort, die men bij de Balineezen terug vindt. En is dit laatste juist, dan weegt wat die enkele Maleische verhalen ons leeren al even weinig als bijv. het voorkomen van den naam van dat tijk, als contemporair met het oude Mëndang kamulan, in de door Cohen Stuart ongelukkig slechts gedeeltelijk békend gemaakte redactie van de Jayalëngkara '), een tekst die vervaardigd werd in 1758 A. J. = 1831 A.D. Toch past het daarnevens ook nog te wijzen op het feit, dat zulk een besluit nog niet van die afdoende waarde is als het zou moeten zijn, aangezien de kennis der Panji-veriwlen, laat staan dus de kritiek ervan, nog niet reeds zoo ver reikt, dat men nu al in staat wezen zou een degelijk gegrond oordeel over dezen cyclus te hebben.

Van een geheel anderen aard is het argument, dat men zou kunnen putten uit eene plaats in de JO^JI voL# een bundel verhalen uit de 10e eeuw

van onze jaartelling, dien Prof. van der Lith, in vereeniging met den Heer Devió* in tekst, vertaling en aanteekeningen, in 1883—1886, uitgaf, men zie aldaar op bl. 150, en in de aanteekeningen bl. 231 en volgg.2). Levert de tekst daar in een verhaaltje van een zekeren Abu Thahir van Bagdad, die een reis naar Zabej (Java, öf Java niet) maakte, en een der steden op dat eiland bezocht, voor dié stad den naam Jüjly, Prof. van der Lith wil daarvoor gelezen hebben C^.s\ij* = Majapawjd, Majapahit, en ziet er dus dien naam in. In de gegeven tijdsomstandigheden was ervvoor deze hypothese, zooals de schrijver t. p. op bl. 233-ook opmerkt, juist aan te voeren, dat men\a déja prouvé d'une manière qui ne laisse plus de place au doute, que d'après des documents trouvés a Java même, il y avait déja: en 840 un Outtongadéwa — roi suprème — a Madjapahït". Doch hoe nu, nu hét aan den dag kwam, dat het eenige stuk waarop de veronderstelling gebouwd wa», die oorkonde met het jaartal 762 Qaka, want een andere, waaruit het af te lelden is, is er niet, niet alleen is van een allooi waarop niets te bouwen is, maar zelfs maakwerk moet zijn uit den tijd, waarin ook de Javanen beweren, dat Majapahit reeds bestond? De basis voor de hypothese viel daardoor weg, de eenige steun, dien zij had en die een hechte scheen te zijn, ontbreekt haar nu, terwijl, in verband met andere feiten, er toch indirect weder een nieuw bewijs geleverd worden kon, nu niet voor de onjuistheid van de berichten der Javanen, wel voor het zeer aannemelijke van een onderdeel hunner traditiën, nl. dat hetwelk handelt over de stichting van Majapahit \ en den tijd, waarin deze moet hebben plaats, gehad, en evenmin als men het voorheen geloofwaardig zou hebben

1) Bijdr. T. L. en Vk. van N. I., I (1853), bl. 44 en volgg., en II (1854), bl. 151 en volgg.; gestaakt, zooals de overlevering is, omdat men zulke referaten van minder belang achtte. In de Javaansche letterkunde bestaan er drie verschillende Jayalëagkara's, die alle weer in verschillende redacties voorhanden zijn. Het zijn de Jayalëngkara Panji, de hier bedoelde tekst; de Jayalëngkara wulang, een zedekundig geschrift; en de pakem (wetboek) Jayalëngkara, alle drie door Raffles reeds genoemd, men zie zijn History of Java, II, bl. 439 volgg. — Vgl. Juynboll, Supplement op den Catalogus va» de Javaaasche en Madoereesche h&Uómriften der Leidsehe. Universiteits-bibliotheek, II (1911), bl. 76, 123 en 442.

2) Ook in de werken van het Oriefitalisten-congres, in 1883 gehouden te Leiden.

Sluiten