Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevonden, vóór de stelling der hoogere oudheid van Majapahit zich aan de beoefenaren der Javaansche letterkunde en geschiedenis moest opdringen, dat de tekst van de Merveilles de 1'Inde t. a. p. ons den naam Majapahit te lezen geeft, zal men er zich thans, nu van die veronderstelling niet meer gesproken zal kunnen worden, mede kunnen vereenigen. Ook dan, wanneer men in het overgeleverde «Ajjliy- een bedorven Majapahit zien^vilT^ men verplicht tot het aanbrengen van verbeteringen, en wie zegt ons in dit geval, waar het juiste blijkbaar nog niet getroffen is, of wellicht niet juist de letters, dié men wil vervangen, de goed gespaarde zijn en de fout in andere schuilt '). Houdt men daarbij in het oog hoeveel moeite niet alleen in de oude Arabische teksten, maar even goed in de Chineesche, de Portugeesche en zelfs de oude Hollandsche, ons de overgeleverde plaatsnamen in den Archipel, of men bepale zich tot Java alleen, van Java geven, en niet alleen het boek van Prof. van der liith geeft daarvan voldoende voorbeelden, dan voelt men zich zonder twijfel, met schrijver dezes, huiverig om, zonder meer, alleen op het voorkomen van dien plaatsnaam, in een toch zeker bedorven uiterlijk, ia het genoemde boek, er met den Hoogleeraar in te zien, wat hij er begrijpelijkerwijs in zocht, ook dan, wanneer men daarbij tevens erkennen moet niet in staat te zijn tegenover of naast de zijne een andere hypothese te opperen, welke de waarschijnlijkheid meer voor zich hebben zou. Hoevele plaatsnamen zelfs in de oudere Javaansche geschriften, men neme bijv. die, welke in de Pararaton voorkomen, in de namen der daar genoemde leden van het Majapahitsche vorstenhuis (zie beneden en den geslachtsboom) zjjn nu niet meer, of althans nog niet, terecht te brengen, en vreemd zou het zeker niet zijn, zoo men er onder de vooral in de oudere berichten vermelde aantrof, waarmede dit ook nooit gelukken zal 2).

Na het verjagen der' Chineezen keerden de naar de Maleische landen uitgezonden troepen, welke die waren, van wier vertrek in Hoofdstuk V werd gesproken, eerst terug. Deze moeten dus ook gedurende den geheelen duur van het interregnum van Jaya katong zjjn uitgebleven, zoodat zij langer dan acht jaren van Java afwezig waren. Dit schijnt vreemd. Wat zij eigen tl ijk verrichtten, blijkt niet. Ook is het niet eens zeker wat hier met Malayu wordt bedoeld 3).

1) Bij Ferrand, Relations de voyages enz. II (1014), bl. 585 is de transcriptie Marakawand; vgl. d. t. pl. noot 2, en laatstelijk denzelfden auteur in Le K'ouen-louen (Journ. asiat. tij XIII, 1919) bl. 303, noot 1.

2) Over de quaestie van Majapahtt's vroeger bestaan deden Prof. Van der Lith en Prof. Ke*n zich ook nog hooren op het te Stockholm gehouden Oriëntalisten-congres, [zie Actes, IV (1892), Sectiën V, bl. 10—13]. Het laatste ter zake is Van der Lith, Nederlandsefc Oost-Indië, beschreven en afgebeeld voor het Nederlandsche volk, 2« druk, 1893, I, 401.

3) Over de resultaten der expeditie is meer licht verspreid door dé vondst van een in 1208 Caka gedateerd beschreven voetstuk te Simgai Lansat aan den boven-Batanghari, waaruit blijkt, dat daar ter plaatse, in het hart van Sumatra, toen ter tijd een gehinduïseerde vasalstaat onder Kêrtanagara's oppergezag bestond. "Zie het artikel: Een Sumatraansche inscriptie van koning Krtanagara, Versl. lleded. Kon. Acad. v. Wet., Afd. Lett. 5'"* reeks II (1916), bl. 323—339. Op bL 329 wordt gehandeld over den naam Malayu, oorspronkelijk wel Djambi, later het geheele eiland Sumatra.

Sluiten