Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat hier de eëngkala, die te beginnen met het einde van het vorige hoofdstuk schier geregeld gegeven wordt, wordt gemist, zoodat het niet doenlijk is na te gaan, of 1257 werkelijk bedoeld is. Dat het gegeven jaartal niet juist kan zijn, blijkt reeds dadeljjk uit het vervolg, het begin van het volgende hoofdstuk '). Men zie verder ook nog de aanteekening bij het volgende hoofdstuk.

Nog andere fouten in de jaartallen in de Pararaton zijn: tahun 14, bl. 18, reg. 11, boven (bl. 78) reeds besproken; bl. 31, reg. 18: 1343, wat 1333 moet zijn; bl. 31, reg. 29: 1363, wat te verbeteren is in 1353; en bl. 32, reg. 3: 1362, waarvoor te lezen is 1372, ook al geven de sëngkala-vroorAen wat men in den tekst ziet staan. Men lette er slechts op tusschen welke getallen deze hier als foutief aangewezene voorkomen, daarbij in het oog hondende, dat alle andere geregeld opklimmen, waarbij het 137 . (?) van bl. 32, reg. 8 nog tot 1373 kan worden aangevuld 2).

Op bladz. 31, reg. 17 en 19 zijn de getallen daarentegen in orde, maar is de omgeving, waarin zij staan, geschonden; men zie de noten bij de vertaling t. a. p., en de aanteekening bij Hoofdstuk XIII.

In welk jaar de prinsessen Bhre Kahuripan en Bhre Daha, en zoo ook Dara pëtak, overleden zijn, wordt ook in het vervolg niet aangegeven 3). Daarop zij reeds hier de aandacht gevestigd, voor zoover de beide eerste personen betreft onder verwijzing naar de aanteekening bij Hoofdstuk IX 4).

1) Hierachter is een passage uit de eerste editie weggelaten, waarin beredeneerd werd, dat in plaats van het door den tekst gegeven 1257 vermoedelijk 1217 het sterfjaar des konings was. Sedert heeft Poerbatjaraka in zijn opstel „De dood van Raden Wijaya, den eersten koning en stichter van Majapahit", Tijdschr. Bat. Gen. 56 (1914) bl. 143—148, uit een tot dusver niet bevredigend verklaarde Nag.-plaats (47 :3) bewezen, dat Kërtarajasa in 1231 overleden is. Opmerkelijk is, dat, zooals óp bl. 32 bleek, een der handschriften zijn regeering op 14 jaar stelt; misschien is dat klakkeloos overgenomen van de overeenkomstige passage bl. 18 reg. 11, maar het komt voor een regeering van 1216 tot 1231 vrijwel uit.

2) Het eveneens door Brandes als fout aangemerkte rong tahun, bl. 25, reg. 27 en 28, is gebleken geen verbetering te behoeven; daarentegen moeten bij de foutieve jaartallen nog gevoegd worden: bl. 25, r. 15: 1217, te lezen 1231; en bl.25, r. 23:1222, te lezen 1233. Zie het volgend Hoofdstuk.

3) Of de beide eerstgenoemde prinsessen inderdaad die titels gedragen hebben, is zeer de vraag; mogelijk zijn zij verward met 'skonings beide dochters, die inderdaad de aangegeven titels voerden. Van Dara Pëtak blijkt in Nag. 47:2 nog, dat haar officieele naam Indregwari was. Volgens Westenenk (Tijdschr. Bat. Gen. 57, 1916. bl. 261 n.) zou Pëtak samenhangen met puti (= putri, doch door de Javanen opgevat als putih, blank).

4) De Nèg. vermeldt nog (47 :3), dat de koning als Buddhistisch beeld te Antahpura, als Qiwaïtisch te Simping werd bijgezet. Dit laatsta heiligdom is, naar Bosch in Oudh. Versl. 1916, 2, bl. 51—55 aannemelijk heeft gemaakt, de tegenwoordige Tjandi Sumbërdjati by Blitar. Het vandaar afkomstige beeld van Ciwa als Harihara zou dan een portretbeeld van Kërtarajasa zijn. Zie Van Stein Callenfels in Tijdschr. Bat. Gen. 57 (1916) bl. 529—532,-en verg. Tijdschr. Bat. Gen. 54 (1912) bl. 470—485 en Inl. t. d. Hind. Jav. kunst (1920), II bl. 88—94.

Sluiten