Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII. Kala gëmët, als vorst Jayanagara. Caka 1217 (1231)—1250.

Hem volgde als koning Raden Kala gëmët op, onder den naam Bhatara Jayanagara.

Cri Ciwabuddha werd bijgezêTHe Tumapël, waar het vrije heiligdom den naam Pürwapatapan kreeg. Tusschen de oprichting van dat vrije heiligdom en den opstand van Rangga lawe verliepen zeventien jaar.

Rangga lawe verlangde ') tot patih aangesteld te worden, doch dit geschiedde niet, (en) daarom ging hij naar Tuban en stond hij op 2), vele gezellen verleidende 3). De Tubanners van de noord lieten zich medeslepen, en volgden Rangga lawe 4). De namen van hen, die hem volgden, zijn Pafiji Marajaya, Jaran waha, Arya Siddhi, Lintang, Tosan, Galatik en Tati; zij stonden met Rangga lawe op. Hij verliet Majapahit, omdat hij een hoogeren rang ambieerde. Mahapati wist hem in verdenking te brengen, en gebruikte5) daarvoor de uiting van Rangga lawe: „Praat er maar niet verder van, ook in het Parthayajfia °) is er een plaats voor lafhartigen". Men vernam te Majapahit, dat Rangga lawe opgestaan was; Mahapati bracht het aan. Aji Jayanagara hinderde het zeer. Die met Rangga lawe ') waren opgestaan, kwamen allen om, behalve Galatik, die op bevel van Mahapati weer afviel. De opstand van Rangga lawe had plaats in 1217 [lees 1231] 8).

Wiraraja vroeg verlof terug te gaan9) naar Lamajang tigang juru 10), immers Raden Wijaya had beloofd Jawa (met hem) te zullen deelen. Hij kreeg het gewest Lamajang, noord en zuid, en de drie junCn. Geruimen tijd had Wiraraja er genot van. Nambi bleef als apatih (te Majapahit); Sora was dëmung en Tipar tumënggung. Toenmaals was tumënggung minder dan dëmung. Wiraraja kwam niet weer te Majapahit terug, niet van zins in de achtste (moeson-)maand op audiëntie te gaan "), (zooals dat anders de gewoonte was).

Drie jaren na den opstand van Rangga lawe had de geschiedenis met Sora

1) P. en J.: zou tot patih aangesteld worden.

2) J. andaga, afvallen.

3) i.i aan zich bindende.

4) J.: Nadat hij de Tubanners van den Noordberg aan zich gebonden had, volgden zij Rangga lawe.

5) J.: De reden, dat hij Majapahit verliet om een hoogeren rang te krijgen, was dat

Mahapati hem door laster ten val had gebracht, daarvoor gebruikende enz. dandan =

tati dandan, middel (touw) om te geleiden.

6) Een këkawin. — Een inhoudsopgave door Poerbatjaraka is te vinden in Tijdschr. Bat. Gen. 58 (1918), p. 380—390.

7) J.: Rangga lawe en zijn gezellen.

8) Verbetering van Poerbatjaraka.

9) Te gaan waar hij thuis behoorde, omdat het hem geschonken was, of: vroeg verlof er bezit van te gaan nemen.

10) J.: en de tigang juru. V. d.T. sajuru sabekëlan.

11) J. Volgens V. d. T. een zeker godsdienstig feest vieren.

Sluiten