Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opmerkzaam, dan zijn er verschillende zaken op te merken, die net waarschijni^k maken, dat er met hem een kind ') op den troon was gekomen. De een voor, de ander na, stuk voor stuk, staat men tegen hem op, en het is een tijd van hevige onrust. Toch geldt wel beschouwd het herhaalde verzet niet zijn persoon, maar is het meestal gekeerd tegen Mahapati, die intusschen met vaste hand weet te regeeren, en zich tot 1241 CakaTstaande houdt, zie bl. 26, reg. 14.

De eerste opstand, waarvan gewaagd wordt, is die van Rangga lawe," die patih had willen worden, doch wien dit niet gelukte. Deze opstand schijnt Wel niet de belangrijkste te zijn geweest, jnaar heeft voor ons een bijzonder belang, omdat hij door den dichter van de Rangga lawe vooral met voorkeur behandeld is, in het geschrift, dat naar dezen held genoemd pleegt te worden, maar ook den titel Paöji Wijayakrama voert2). Zooals boven, in de Inleiding, echter reeds is gezegd, heeft de maker er van de Pararaton veelvuldig niet begrepen. Een der belangrijkste fouten, die hij gemaakt heeft, is dan ook wel, dat hij den opstand laat plaats grijpen onder Kërtarajasa, zoodat, hoewel de lectuur van het geschrift om zijne literaire waarde, welke zeer groot is3), ter lezing kan worden aanbevolen, er toch tevens een waarschuwing bijgevoegd dient te worden, dat het of niet óf uiterst voorzichtig als bron voor Java's geschiedenis te gebruiken is, iets waarvan na het uitgeven van de Pararaton, waarop het boek berust, wel geen sprake meer wezen zal4).

In dit hoofdstuk verkrijgt Banak Wide (= Wiraraja) hetgeen hem volgens de (oude) afspraak, die hij met Raden Wijaya maakte, van Java toekwam. Ongelukkig is het niet uit te maken, wat er bedoeld is met de tigang juru5). Onwillekeurig vraagt men zich af of het onder Wiraraja gekomen gedeelte van Java niet iets moet zijn geweest als overeenkomen zou met het rijk van Balambangan, zooals men zich dat gewoonlijk, en niet ten onrechte, voorstelt, al zijn de grenzen er van niet altijd dezelfde geweest °).

Over de daaropvolgende opstanden kan niets in het bijzonder worden opgemerkt. Die van Kuti, — mag men hier, al is dit hier een persoonsnaam, de plaatsnaam Kuti van de geincrimineerde oorkonde n°. II mede in verband brengen ?

1) Dit gaat ook op voor een nog jeugdigen prins (bl. 129), al was het dan geen klein kind.

2) Deze titel is ontleend aan Zang VII, str. 152: kaprdcilaha panji Wijayakrama, sdmpun ingastren malih, denira sang dwyd„ uni caturacrama, siddhdngastutyakëna ring, amangku jawa, sumengkeng Majapahit* wastitya tan enucap panëngranira, cri mdrdja apaiiji» Wijayamottama, linüteng tandgara, tkeng pranüsdntarering, sami kawaca, sira ahahrawarti. De inhoud van de Rangga lawe berust op hetgeen men in de Pararaton aantreft in Hoofdstuk V, VI, VII en het begin van VIII.

3) Het boek staat als zoodanig zeer hoog, maar is veelvuldig zeer zwaar te verstaan.

4) Eene vergelijking zou nog verschillende zaken van het gehalte als het juist in den tekst genoemde aan het licht kunnen brengen.

5) Het gebied der drie juru's (Rouffaer).

6) Volgens Nag. 48*2 werd in 1238 Nambi in „Lamajang" verdelgd; diens hoofdplaats blijkt daarbij Pajarakan te zijn. Het centrum lag dus Westelijker dan men voor een rijk als dat latere van Balambangan zou mogen aannemen. Het bij denzelfden krijgstocht vernielde Ganding kan het nog thans zoo heetende, in Nag. 34:2 vermelde Gending zijn.

Sluiten