Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijnt verreweg de gevaarlijkste te zijn geweest, en moet aan Gajah mada de gelegenheid hebben gegeven meer op den voorgrond te komen. In het vervolg treedt hij steeds meer en meer vooruit. De beroemde naam, dien hij ook nu nog bij de Javanen heeft, was blijkens hetgeen er in de Pararaton van hem verteld wordt, niet onverdiend. Achtereenvolgens fungeert hij onder den vorst van dit hoofdstuk, diens opvolgster, en haren zoon, tot hij in 1286 Caka1), dus op een zeer'rijpen leeftijd, door den dood wordt weggerukt, doch men zie hierover verder bij Hoofdstuk IX en XIII.

Jayanagara, die van zins was zijn 'beide zusters (halve zusters) te huwen 2), komt om, tengevolge van een derde liefdesgeschiedenis 3), tenminste als de opvatting in de vertaling van hetgeen er in het Jav. staat, de goede is 4).

Het laatste gedeelte van dit hoofdstuk zal in de aanteekening bij het volgende, waar opnieuw de juistheid van het door de Pararaton geleverde getoetst kan worden, weer blijken van zeer veel belang- te zijn.

Gelet op het wederverschijnen der ksatriua,a te Majapahit, en de voorafgaande mededeeling omtrent de verhouding van Jayanagara tot zijne beide halve zusters, schijnt het meer aanbeveling te verdienen in de Bhreng Kahuripan en de Bhreng Daha, die in dit slot genoemd worden, die twee. halve zusters te üien, dan Jayanagara's stiefmoeders, de beide weduwen van Kërtarajasa, die de dochters van Kêrtanagara waren, en zoo heetten, vergl. Hoofdstuk VI en VII5).

Van de eene, Bhreng Kahuripan, wordt er verhaald, dat zij huwt met Baden Cakradhara, die een zoon had Kërtawardhana geheeten °) en van de andere, Bhreng Daha, dat zij in het huwelijk treedt met Wijayarajasa; immers Raden Kudamërta 7), die te Wëngkër stond, is tevens-de Pramicwara (d. i. Parameewara) van Pamotan, die dien naam droeg. Op een andere wijze is de tekst, bl. 27 reg. 15, moeielijk te verstaan, en het zal blijken, dat het juist is.

1) Het juiste jaartal is eerst uit Nag. 71 :1 gebleken; de Par. geeft 1290. Zie Hoofdstuk X. Gajah mada's verhouding tot Tadah is besproken in Tijdschr. Bat. Gen. 56 (1914) bl.252—256. Uit de inscripties en Nag. blijkt, dat de Pararaton een niet geheel juiste voorstelling van den gang van zaken geeft. Wel komt het uit, dat Gajah mada, vóór hij in 1253 als rijksbestierder optrad, patih van Daha was. . j|»ïgf|l

2) Zie hierbij hetgeen voorkomt in Hoofdstuk X, en de aanteekening daarbij.

3) In verband met den daarbij genoemden Tanca wijst Brandes in Not. Bat. Gen. 1899 bl. 171 sq. op een zekeren Kanca, buyut van Pugëran, die voorkomt op een ongeveer gelijk-, tijdige inscriptie.

4) Van de bijzetplaats Antawulan oppert Poerbatjaraka de mogelijkheid eener gelijkstelling met Trawulan; vermoedelijk hetzelfde heiligdom heet in Nag. 73:3 Antaragaci. Crënggapura is wellicht dezelfdè naam als Qr\ Ranggapura van Nag. 74:1 (bl. 296 der editie), 's Konings in Nag. 48:3 opgesomde bjjzetplaatsen zijn drie Wisnuïtische, in dén dalem, te Bubat en* te CUMP&tak, en een Buddhistische te Sukalila,

" 5) De Nag. bevestigt, dat inderdaad de zusters bedoeld rijn., i

6) Uit Nag. Zang 3 blijkt, dat Kërtawardhana de wijdingsnaam van Cakradhara zelt was; Kern's vertaling van den laatsten zin van het Hoofdstuk,(zie bl. 129 noot4) is dus de juiste. De oorkonde van Pëlëm (Oudh. Versl. 1918, 3, bl. 108) noemt hem Cakrecwara.

7) Als raden Kuda is deze vorst ook aangetroffen, op een oorkonde van Biluluk, zie Oudh. Versl. 1918, 4, bl. 144 en 1919, 2, bl. 62.

Sluiten