Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zweep klapte, dan hoorde men het overal, en schrikte men er te Majapahit van.

Een korten tijd later kwam Zijne Majesteit') (zelf) Sadeng ten onder brengen. Drie jaren na de gebeurtenis met Taüca had die met Sadeng plaats, in 1253.

Daarop had er een aardstorting 2), die van de Baüupindah, plaats, in 1256.

Van Sadeng gekomen, werd Këmbar bëkël van de mantri's araraman, en Gajah mada angabehi; Jaran'bnayax Jalu,dëmang Bucang, Gagak minge, Jënar en Arya Rahu kregen allen een betrekking'; Lëmbu pëtëng werd tumënggung.

Gajah mada, de apatih amangkubhumi, wilde geen palapa eten3): „Als (de) nusantara (de archipel ?)4) onderworpen zullen zijn, als Gurün, Seran, Tanjung pura, Haru, Pahang, Dompo, Bali, Sunda, Palembang en Tumasik onderworpen zullen zijn, dan (eerst) eet ik palapa". De mantri's zaten (toen hij dat^zeide, er) allen (bij) op de paseban. Këmbar gaf zijn ongeloof aan ('t succes van) Gajah mada te kennen, hij werd uitgescholden 5), Banak smaadde °) hem ook, al mede zijn ongeloof betuigende') en Jabung terewes en Lëmbu pëtëng lachtten. Gajah mada verliet daarop de paseban, en vertelde het aan de bhatdra van Koripan; hij was verdrietig, dat hij door Arya Tadah dus gesmaad was (?)8). Këmbar had al veel misdaan; Warak werd uit den weg geruimd, en Këmbar evenzoo.

AANTEEKENING.

Was het bij de vorige hoofdstukken mogelijk de juistheid van verschillende bijzonderheden, ook in hun onderling verband, aan te toonen door middel van een belangrijk oud stuk, ook bij dit hoofdstuk, dat de regeering van de eerste vrouwelijke regent onder de Majapahitsche vorsten, de eerste koningin onder de koningen van dat rijk, omvat, staat ons gelukkig iets dergelijks ten dienste. Het stuk, dat. bedoeld is en hier aangehaald moet worden, is het helaas slechts bij fragmenten voor ons bewaard gebleven" opschrift op den beschreven steen n°. 38 van het Bataviaasch Genootschap. Voor zoover het hier noodig 'is, wordt hier daarom zoo dadelijk een gedeelte daarvan medegedeeld, dat, hetgeen van te voren reeds moet worden opgemerkt, ongelukkig ook nog vol gapingen zit. Uit het stuk steen, waarvan het boven- en het ondereinde verdwenen;zijn, is ook nog

1) Zie bl. 147 bovenaan.

2) P.: uitbarsting.

3) Vgl. boven bl. 128, noot 5.

4) J.: vreemde landen.

5) S.-.'apamëleh van mëleh, terechtwijzen, logenstraffen, verkeerdheid onder het oog brengen. Vgl. apangarah = ngarah, 28:36.

6) In 'tJav. amuluhi; de vertaling is geheel op de gis. — J.: die hem had overgehaald? V. d. T. geeft muluh, uluhi, overhalen.

7) ï.: vervolgens werd hem (lv.) dat verweten? Ook uitschelden. Of Banak subject?

8) In 't Jav. katadahan kabuluhan; ook hier is het verband weer meer dan onduidelijk. — J. V. d.T. geeft asëmu katadahan, van een verhoorde, voorts katadahan runtik (zonder vertaling). Zijn portie gekregen hebbende; nadat hem 'twas aangeraden?

Sluiten