Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegelijkertijd het bevel; Rajasanagara (Hayam wuruk) bekleedt een mindere plaats, en staat dus met hen niet op een zelfde lijn, maar lager, en kan dus ook van een jonger geslacht zijn (iniring), terwijl aan de derde dame, hoewel in de laatste plaats genoemd, toch door de regeerende vorstin de noodige eerbied wordt bewezen (makamanggalya), omdat zij zooveel ouder, haar stiefmoeder *), is.

Met de gegevens door dé Pararaton hier en in het volgende hoofdstuk ons aan de hand gedaan, en deze m verband gebracht met hetgeen het bekende opschrift op het Mafijucrt-beeld aan het licht bracht 2), is het thans niet meer moeielijkrden tijd, waaruit het aangehaalde opschrift dagteekent, iets nader >te bepalen3). De beide grenzen, waartusschen het valt, kunnen nu veel nader worden aangegeven, en als men, wat na al het voorafgaande wel door niemand meer als iets ondoordachts of onvoorzichtigs zal worden beschouwd, daarbij ook rekening houdt met bijzonderheden door de Pararaton verteld, dan kan dit zelfs tusschen vrij enge grenzen geschieden.

Hoewel het uit de Pararaton niet blijkt, wanneer de opvolger van deze vorstin, die zelf in 1250 Caka aan het bewind kwam, in hare plaats de règeering aanvaardde 4), is het toch uit het volgende hoofdstuk duidelijk, dat hij in 1279 Qaka reeds koning was. Ook schijnt men te mogen besluiten dat Bali, dat in het opschrift genoemd wordt als een onderhnorigheid van Java, in 1256 Qaka,

1) Ten rechte: moeder. Zie Nag. 48:1.

2) Het opschrift op het Manjucri-beeld, dat Dr. Verbeek in zijne Oudheden van Java, onder n°. 563, bl. 275, gist dat van Panataran afkomstig zou zijn, werd behandeld door Friederich, in Zeitschrift der D.M.G., XVIII (1864), bl. 494 en door Prof. Kern in Not. B.G. XVIII (1880), bl. 106 en volgg. De door den laatste gègeven vertaling luidt: „De oppervorst uit Arya-stam heeft (het beeld van) Manjucri en règle opgericht in het jaar vjjf-zes-twee-een (d. i. 1265 Caka) tot vermeerdering van de dharma (wet en geloof in Buddh. zin) in den Jinalaya (of in Jinalaya)"; én „Ook heeft hij Adityawarman, in 't ryk beheerd door H. M. de opperkoningin, (hij) uit haar geslacht afstammende, met zuiveren zin (d. i. vroom), (begaafd) met uitstekende eigenschappen, zeer voornaam staatsdienaar, op Javaanschen bodem in de stad van den Buddha-tempel, een verwonderlijk schoonen tempel gebouwd, met het doel om zijne ouders en verwanten uit het ondermaansch bestaan (d. i. uit de kwalen dezer wereld) te voeren tot de vreugde van het Nirwana", „in het Caka jaar 1265". Dit opschrift is door Prof. Kern in verband gebracht met die van Batu bSragung en van Pagar ruyung. Te zamen leeren zij dat er in dien tijd in het Mënangkabau'sche een Javaansche vorst heerschte van dien naam en verwant aan het Majapahitsche vorstenhuis. Over deze laatste opschriften, zie men Friederich's Over inscriptiën van Java en Sumatra voor het eerst ontcijferd, Verh. Bat. Gen. XXVI (1857), maar vooral Kern en Cohen Stuart in Bijdr. T. L. en Vk. v. N. I., 3: VII (1872), bl.289; VIII (1873), bl.16; en 4: I (1877), bl. 159 [Verspr. Gesehr. VI (1917), bl. 249—275]. Het „beheerd door H. M. de opperkoningin" luidt in 't Mafijucriopechrift crtwarardjapatniwijite[h]; dit zou ook vertaald kunnen worden „veroverd door de gemalin van Z. M. den oppervorst", hetgeen een anderen indruk geeft. In de opvatting sluit ik mij bij Prof. Kern aan. — Over dit, waarschijnlijk van Tj. Djago afkomstige beeld, zie men Rouffaer in de Singasari-monografie (1909) bi. 99—116. Vgl. nog Versl. Med. Kon. Acad. v. Wet. Afd. Lett. 5: II (1916) bl. 335—337; de „Opperkoningin" is de in noot 4 op de vorige bladzijde bedoelde Rajapatni.

3) Dit met het oog op hetgeen er reeds gezegd werd in Groeneveldt's Catalogus, bl. 368.

4) Blijkens Nag. Zang 2 was dit in 1272, het jaar van het overlijden zijner grootmoeder, de Rajapatni.

Sluiten