Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zie bl. 28, reg. 16, zulks nog niet was '). Eerst na de vermelding van het in dat jaar plaats hebbende feit, spreekt de Pararaton van de door Gajah mada afgelegde gelofte Gurun, Seran, Tanjungpura, Haru, Pahang, Dompo, Bali, Sunda, Palembang en Tumasik te zullen onderwerpen. Hierover moet toch weer eenige tijd verloopen zijn, ook al zou het Bali^alleen betreffen, en zoo blijkt het dat ook dit opschrift, afkomstig van dezelfde vorstin, als op het Manjucri-beeld, doch daar niet met name vermeld, ook uit ongeveer denzelfden tijd, Caka 1265, moet dagteekenen -).

Waar het Sadeng, waarvan de tekst spreekt, gezocht moet worden, blijkt niet. Mogelijk is het, dat de plaats thans zelf niet meer bestaat. Daar alles in de Pararaton op Oost-Java schijnt te spelen, zou men er het Sadeng in de residentie Pasuruhan, district Rëdjasa, of wellicht nog liever de" (Gunung) Sadeng, in de residentie Bësuki, district Pugër, voor in aanmerking kunnen brengen 3). Er dient daarbij gewezen te worden op het feit, dat in de omgeving van dien berg restanten van bouwwerken zijn gevonden, men denke slechts aan Tjandi Këdaton, Kuta Bara, Kuta Këdawung *), Kuta Krandjingan, Tjora manis, Pon$ang en Kuta Blater, zie Verbeek, Oudheden van*Java, n™ 647, 648, 649, 653, 654, 652 en 651 (bl. 321 en 322), op twee waarvan de jaartallen 1260 en 1292 Caka (Pontang en Tjandi Këdaton) zijn aangetroffen, die van het jaar der Pasadeng, 1253 Qaka, niet zoo heel veel verschillen. Deze jaarcijfers wijzen het uit, dat althans eenige dier bouwwerken, welke gedeeltelijk van jongere dagteekening kunnen zijn, uit de tweede helft der 13e Qaka-eeuw dagteekenen, en dat in het zuidwestelijk en zuidelijk gedeelte van de residentie Bësuki in dien tijd iets meer te doen moet zijn geweest, dan bijv. in vroegere dagen daar het geval was. Het kleinste dezer jaartallen valt in de regeering van Jayawisnuwardhani, en, hoewel men zich daarmede waagt op het gebied van zuiver gissen, want hier weet men, met de toegankelijke gegevens, goed gezien, toch eigentlijk niets positief, onwillekeurig is men geneigd om tusschen het genoemde eenig verband te ontdekken, zelfs waar de Pararaton leert, dat de Pasadeng gunstig vóór Majapahit afliep, doordat

1) Nag. 42:1 vermeldt een onderwerping in 1206, doch blijkens 49 :4 was in 1265 opnieuw een expeditie noodig.

2) Dat Sunda, Dompo en Palembang in den tijd, dat de belofte van Gajah mada door hem volgens de Pararaton geuit werd, inderdaad nog niet veroverd waren, zal beneden nader blijken, zie de aanteekening bij Hoofdstuk X. — In elk geval is de oorkonde van vóór 1272, zie Tijdschr. Bat. Gen. 53 (1911) bl. 419 sq.

3) Over Sadeng zie men nog Tijdschr* Bat. Gen. 58 (1918) bl. 167 sq. en Nag. 49:3, door welke plaats liet jaartal 1253 bevestigd wordt. Het in dit Hoofdstuk genoemde Sajabung is klaarblijkelijk de tegenwoordige Tjandi Djabung (vgl. Brandes in Rapp. Oudh. Comm. 1903 bl. 44); wellicht is ditzelfde heiligdom het ih den Nag. 31:1—5 vermelde Kalayu, waar in een Buddhistischen tempel een verwant des konings was bijgezet. Zie „Hayam Wuruk en de Tjandi Djaboeng", Tijdschr. Aardr. Gen. 2 : 30 (1913) bl. 652 sq.

4) Voor Kuta Këdawung in verband met het latere rijk van Balambangan,^zie men het Verslag over een babad Balambangan, in Tijdschr. Bat. Gen. XXXVII (1894), bl.333 noot 4; terwijl hier tevens nog eens verwezen wordt naar de Babad Bandawasa, zang XIV, in Not. Bat. Gen. XXXI (1893), Bijlage VIII.

Sluiten